ECN publicatie: facebook
Titel:
Transitie naar een duurzame energievoorziening in 2050: evolutie of revolutie?
 
Auteur(s):
Jeeninga, H.; Kroon, P.; Weeda, M.; Wunnik, T. van; Kipperman, T.
 
Gepubliceerd door: Publicatie datum:
ECN Beleidsstudies 1-10-2002
 
ECN publicatienummer: Publicatie type:
ECN-C--02-078 ECN rapport
 
Aantal pagina's: Volledige tekst:
65 Download PDF  (450kB)

Samenvatting:
In opdracht van de Algemene Energieraad (AER) is door ECN Beleidsstudies,ECN Schoon Fossiel, van Wunnik Energy Consultancy Plus en Kipperman Consultancy & Mediation onderzocht of via de route van incrementele innovatie voldaan kan worden aan een verregaande lange termijn CO2-reductiedoelstelling. Diverse potentieel studies geven aan dat het in principe technisch mogelijk is om de totale CO2-emissies in 2050 met circa 50% - 80% te reduceren ten opzichte van het niveau in 1990, maar geven geen uitsluitsel of voor het bereiken van deze reductie een revolutie noodzakelijk is, of dat, onder voorwaarden, een evolutionaire route kan worden gevolgd. De AER denkt vooralsnog aan de geleidelijke aanpak en acht de ?incrementeel innovatieve route? als het meest reëel.

Het schetsen van een energievoorziening waarmee daadwerkelijk de beoogde reductiedoelstelling wordt behaald blijkt niet eenvoudig. Hierbij spelen met name de discrepanties tussen vraag en aanbod alsmede de mogelijk grote afhankelijkheid van te importeren energiedragers een rol. Met name het beslag op biomassa is naar verwachting zeer groot. Van essentieel belang is om te kijken naar de samenhang tussen verschillende processen. Geconcludeerd wordt dat niet zozeer de flexibiliteit van de infrastructuur maar de flexibiliteit van de energievoorziening, waarin de samenhang tussen energievraag en energieaanbod alsmede wijze waarop deze gekoppelde kunnen worden, uitgangspunt zou moeten zijn bij de vraag hoe de transitie naar een duurzame energievoorziening kan worden bewerkstelligd.

De transitie naar een duurzame energievoorziening in 2050 via een incrementeel innovatieve route lijkt technisch mogelijk te zijn, maar vereist een effectief en daadkrachtig transitiemanagement. Het is, met name vanwege het conflicteren van korte en lange termijn belangen, sterk de vraag of er een partij is die in staat is de regie te voeren. De overheid is primair de partij die baat heeft bij het behalen van de reductiedoelstelling, terwijl de kosten vooral ten laste komen van andere actoren. Voor het bewerkstelligen van de beoogde transitie is het derhalve noodzake-lijk dat de overheid haar instrumentarium zodanig vorm geeft dat zowel de kosten als de baten bij de ?critical actors? komen te liggen. Hierbij kan worden gedacht aan bijvoorbeeld een CO2-heffing of emissiehandel.

De revolutie vormt het alternatief voor de incrementeel innovatieve route. Aangenomen mag worden dat de bereidwilligheid van de ?critical actors? om via revolutie te voldoen aan een vergaande CO2-reductiedoelstelling beduidend minder groot is dan wanneer dit proces via evolutie plaats kan vinden. De kosten van een revolutie zijn, vanwege de noodzakelijke ingrijpende revolutionaire aanpassingen aan de energie-infrastructuur, naar verwachting beduidend hoger dan wanneer de weg van de evolutie bewandeld zou zijn.

Met name inpassingsproblemen lijken bij een verregaande verduurzaming van de energievoorziening een belangrijke rol te spelen (met name wind vs. warmtekracht). Via een systeemstudie dient onderzocht te worden in hoeverre deze inpassingsproblemen de vrije ruimte voor inzet van bepaalde energieconversietechnieken bepalen dan wel beperken. Hierbij dient niet een technisch/economische optimalisatie vanuit het heden, maar een aanpak op basis van integrale robuuste en plausibele eindbeelden als uitgangspunt te dienen. Aanbevolen wordt nader onderzoek te doen naar de verduurzaming van feedstocks alsmede naar de inzet van syngas in de industrie en mogelijke verbeteringen van het productieproces van syngas uit biomassa. Vanwege het relatief lage vervangingstempo en de grote fijnmazigheid zou zo snel mogelijk moeten worden begonnen met de aanleg van een robuuste infrastructuur waarmee, op termijn, op een duurzame wijze voorzien kan worden in de vraag naar laagwaardige warmte.


Terug naar overzicht.