Geschiedenis

1955

In 1955 begint het huidige Energieonderzoek Centrum Nederland zijn bestaan als Reactor Centrum Nederland. Dit centrum houdt zich bezig met de ontwikkeling van ‘atoomenergie’ in Nederland, later beter ‘kernenergie’ genoemd. Het gaat om de vreedzame toepassing van ‘het atoom’. De verwachtingen zijn hoog gespannen. Energie (nog vooral uit steenkool) is duur, stoffig, smerig, omslachtig en gevaarlijk. In atoomenergie ligt de belofte van grote hoeveelheden goedkope en schone energie, waarmee de behoeften van generaties gedekt kunnen worden.

Ook in Nederland zijn initiatieven om aan deze ontwikkeling deel te nemen. De regering wil de energievoorziening veilig stellen, de industrie wil nieuwe producten ontwikkelen. Een tijd lang is er intensieve samenwerking tussen Noren en Nederlanders bij een onderzoeksreactor in Kjeller (Noorwegen). Dan besluiten de Nederlanders om een eigen reactor te bouwen. Deze Hoge Flux Reactor (HFR) komt te staan in Petten (Noord-Holland), vér van bevolkingscentra en in de nabijheid van koelwater. RCN, na enkele jaren mede onder de krachtige leiding van Jaap Goedkoop, is de organisatie die de Hoge Flux Reactor in bedrijf stelt en exploiteert. Tegelijkertijd heeft RCN, voor 100% gefinancierd door de toenmalige Ministeries van Economische Zaken en Onderwijs en Wetenschappen, vele andere taken bij de ontwikkeling van kernenergie. Binnen korte tijd komt het zwaartepunt van de Nederlandse kernenergieontwikkeling bij RCN te liggen. Goedkoop zal tot zijn pensionering in 1984 directeur zijn van RCN, later ECN.

1975

Het is 1975 en energie is in het midden van het maatschappelijk debat gekomen. In 1973 hebben de Arabieren de oliekraan naar Nederland dicht gedraaid. De kwetsbaarheid van de energievoorziening is in één klap voor iedereen duidelijk. Tegelijkertijd is het probleem van het radioactieve afval nadrukkelijk aan de orde gesteld. Er bestaat veel verzet tegen de bouw van nieuwe kerncentrales, waaronder de snelle kweekreactor in Kalkar, vlak over de Duitse grens.

Het wordt duidelijk dat voor de energievoorziening van de toekomst niet alléén op kernenergie ingezet moet worden. Er ontstaat een krachtige roep om energie-onderzoek naar ‘alternatieve’ vormen van energie: zonne- en windenergie, getijdenenergie, biomassa, aardwarmte … en naar energiebesparing. RCN wordt aangewezen als instelling die een groot deel van dit onderzoek moet trekken. De naam wordt gewijzigd van Reactor Centrum Nederland in Energieonderzoek Centrum Nederland, ECN. Een deel van de onderzoekers schoolt zich om en er worden nieuwe mensen aangetrokken. De eerste programma’s waar ECN aan gaat werken zijn windenergie en kolen. De eerste nieuwe afdeling is het Energie Studie Centrum, de huidige unit Beleidsstudies.

Een zichtbare aanwijzing van de grote veranderingen in Petten wordt gevormd door de bouw van de HAT-25, een experimentele windturbine op een opvallende plek vlakbij de ingang van het ECN terrein. Binnen enkele jaren staat langs de Westerduinweg een testveld voor windturbines. Het windonderzoek zal tot op de dag van vandaag een speerpunt van het ECN programma blijven, waarbij het testveld (inmiddels ondergebracht in de Wieringermeer) van grote betekenis is.

Er worden door de ministeries van Economische Zaken en Onderwijs nationale onderzoekprogramma's in het leven geroepen, onder meer voor windenergie, thermische zonne-energie, kolen en energiebesparing. ECN is bij deze programma's betrokken, deels als programmabeheerder en deels als uitvoerder. Na enkele jaren gaat de afdeling die zich met programmabeheer bezig houdt, op in Novem.

1979

ECN komt in een turbulente wereld terecht. Energie staat in het centrum van de maatschappelijke aandacht. Na de tweede oliecrisis van 1979 komt steenkool als de brandstof van de toekomst weer in beeld, maar dan wel veel schoner dan in het verleden. In korte tijd wordt een groot nationaal onderzoeksprogramma steenkool ingericht en ook ECN krijgt daar een deel van toegewezen.

Het moet o.a. de wervelbedverbranding voor toepassing van steenkool in de industrie onderzoeken. Maar deze toepassing blijkt niet te kunnen concurreren met het gebruik van aardgas en de wervelbedverbranding van steenkool verdwijnt uit de belangstelling. ECN richt zich daarna op het vergassen van steenkool, een activiteit die later de basis is geworden van het biomassa vergassingsonderzoek bij ECN.

Veel werk steekt ECN in de jaren ’80 in de ontwikkeling van de brandstofcel. In het buitenland lijkt de ontwikkeling van de brandstofcel heel hard te gaan en ook Nederland wil daaraan meedoen. Opnieuw bestaat de hoop op ontwikkeling van een technologie waarmee

Nederland een eigen energie-industrie kan opbouwen. ECN is de spin in het web van deze research, waarbij de materiaalkennis opgedaan in het nucleaire onderzoek een belangrijke schakel blijkt. Maar uiteindelijk blijken de marktperspectieven niet voldoende en de grote industriële ambities moeten worden bijgesteld. Inmiddels heeft ECN zich ontwikkeld tot een internationaal vooraanstaand kenniscentrum op het gebied van de brandstofceltechnologie.

1989

Een andere wijziging in de structuur betreft de vorming van business units in 1990. Harry van den Kroonenberg treedt in 1989 aan als nieuwe directeur en zet binnen enkele maanden een krachtige stempel op de organisatie. Hij constateert dat de organisatie niet in lijn is met het meer commerciële karakter dat nodig is om contractonderzoek tot een goed einde te brengen. De business units worden in het leven geroepen om een zakelijke benadering van het onderzoekswerk te bevorderen; ze worden afgerekend op hun financieel resultaat en moeten zich daarom meer rekenschap geven van de wensen van klanten, en van kosten en opbrengsten van het werk.

Later, eind jaren '90, blijkt de business unit structuur ook nadelen met zich mee te brengen voor samenhang en effectiviteit van het onderzoek. Het werk van ECN wordt weer sterker in relatie gebracht met het overheidsbeleid en de mate waarin programma’s bijdragen aan beleidsdoelen wordt belangrijker. Deze beleidsdoelen worden ook explicieter geformuleerd. ECN moet enerzijds invulling geven aan de transitie naar een duurzame energievoorziening en anderzijds een rol spelen in de kenniseconomie. 

1999

Deze rol wordt in 1999 bij een grote evaluatie van grote technologische instituten nog eens door het kabinet benadrukt. ECN moet, aldus het kabinet, ‘uitdrukkelijk geen marktorganisatie’ worden. Het werk moet een relatie houden met het overheidsbeleid en ‘alle marktgerichte activiteiten moeten dan ook een eenduidige relatie vertonen met de lange termijn oriëntatie van het instituut’. Maar de klok wordt niet terug gezet. ECN moet zich óók op de markt blijven richten en producten ontwikkelen die voor de Nederlandse economie van belang zijn. 

Duurzame energievoorziening als focus

Met het NMP-4 en de tezelfdertijd gepubliceerde Nota Energiebesparing (1999) krijgt het Nederlandse energiebeleid andere accenten. Het klimaatprobleem als gevolg van de productie van broeikasgassen wordt als serieus lange-termijn probleem onderkend; en omdat broeikasgassen (met name CO2) vooral worden uitgestoten door energiegebruik, is het energiebeleid direct betrokken. Het voor ECN belangrijke lange-termijn doel van het energiebeleid wordt de ‘duurzame energievoorziening’ waarbij de uitstoot van CO2 drastisch wordt beperkt.

Het doel is door een ‘transitie’ in het energiegebruik te komen tot efficiënter gebruik van energie, versnelde toepassing van vernieuwbare energie en schoner gebruik van fossiele brandstoffen. Deze drie doelstellingen, samen de ‘Trias Energetica’ genoemd, bepalen vanaf dat moment het hele ECN programma, dat dan al grotendeels op deze lijn zit.