Groenlabels voor stroom verbeteren marktwerking

Volgend jaar wordt waarschijnlijk de nieuwe Europese richtlijn Hernieuwbare Energie van kracht. Nederland heeft nu nog de grootste particuliere groene-stroommarkt van Europa, maar het zou wel eens kunnen zijn dat de Nederlandse consument juist door die Europese richtlijn straks nog maar weinig echte groene stroom te kiezen heeft. De oplossing ligt volgens Jaap Jansen, onderzoeker Energiebeleid, in de introductie van “groenlabels” voor stroom.

Met circa 2,5 miljoen huishoudens met een abonnement op groene stroom heeft Nederland de grootste particuliere markt voor groene stroom van Europa. Nieuwe Europese wetgeving zal grote invloed hebben op de toekomstige ontwikkeling van deze markt. Volgens de huidige stand van zaken in Brussel dicteert de Europese richtlijn straks, dat van het Nederlandse energieverbruik in 2020, 14 procent van groene energiebronnen (waterkracht, biomassa, wind, zon) afkomstig moet zijn. Dit een forse opgave; in 2005 was het percentage groen nog slechts 2,4 procent. De bijdrage van de elektriciteitssector hieraan zal in principe enkel worden gemeten aan de hand van Nederlandse productie van groene stroom. Om het streefcijfer 14 procent voor het gehele energieverbruik te halen zal in Nederland in 2020 zeker 20 procent van de stroomopwekking “groen” moeten zijn, tegenover slechts 6,1 procent in 2005.

Certificaten
De levering van groene stroom dient volgens de richtlijn te worden aangetoond met groencertificaten. Deze elektronische certificaten worden door de nationale overheden afgegeven als de producent kan aantonen dat de stroom is opgewekt uit duurzame bronnen als zon, wind, waterkracht en biomassa. Groencertificaten kunnen binnen de EU vrij verhandeld worden, los van de handel in stroom. Volgens de komende richtlijn zullen ze enkel gebruikt mogen worden voor verificatie van verklaringen van elektriciteitsleveranciers over het groene gehalte van de aan eindgebruikers geleverde stroom.

Er is nu een stortvloed van certificaten voor groene stroom uit voldragen (marktrijpe) technologieën. In de EU is dit voornamelijk grootschalige waterkracht. Voor de stroomproduktie door middel van grootschalige waterkracht is geen extra financiële prikkel nodig: zonder een cent subsidie past de markt deze technologie uit zichzelf al zoveel mogelijk toe. Bovendien heeft (grootschalige) waterkracht in Europa weinig uitbreidingspotentieel meer. Tegenover het grote aanbod van groencertificaten op basis van waterkracht staat in heel Europa een geringere vraag naar groene stroom. Deze “waterkrachtcertificaten” drukken daarom heel sterk de prijs voor groencertificaten. Daardoor zet de aankoop van groene stroom door de consument nauwelijks aan tot extra (investeringen in de) productie van groene stroom.

Bovendien lijkt het erop dat de richtlijn de lidstaten straks toestaat zelf te bepalen of de handel in groencertificaten voor stroom die al door de overheid is gesubsidieerd wordt verboden of niet. Deze handel zou echter juist zonder meer verboden moeten worden. Want verhandelbare groencertificaten voor al gesubsidieerde stroom leveren een forse bijdrage aan het overschot aan groencertificaten. Immers nieuwe investeringen in de productie van “groene” stroom komen louter tot stand als investeerders verzekerd zijn van extra inkomsten, met name door langjarige subsidiegarantie door de overheid. Alles wat elektriciteitproducenten extra krijgen voor het opwekken van groene stroom door de verkoop van groencertificaten is meegenomen.

Investeringen
De elektriciteitssector zal pas meer groene stroom produceren bij schaarste van verhandelbare groencertificaten. Bij schaarste gaat de prijs van certificaten omhoog, wat de totale opbrengsten uit groene-stroomproduktie zal doen stijgen. Het is waar dat de elektriciteitssector dan in eerste aanleg bestaande energiecentrales intensiever zal gaan gebruiken en elektriciteitscentrales meer op een mix van fossiele en duurzame brandstoffen (met name biomassa) zal laten draaien. Oude installaties blijven dan langer in bedrijf. Maar als elektriciteitsproducenten er vertrouwen in krijgen dat de groencertificaten blijvend in waarde zullen stijgen, zullen zij op de wat langere termijn extra in nieuwe groene centrales investeren.

De crux is dus dat de stroomproducenten vertrouwen krijgen in groencertificaten als een serieuze bron voor extra waardecreatie boven de verkoop van de kale stroom. Dan pas zorgt de vrijwillige-particuliere markt voor groene stroom voor extra (investeringen in de productie van) groene stroom.

Het Europarlement bepleit verder dat tot het jaar 2020 een toenemend percentage van subsidievrije groene stroom moet komen van nieuwe groene centrales. De gedachte hierachter is dat de nieuwe capaciteit van schone centrales extra groene stroom oplevert. Maar dat is onder een dergelijke voorwaarde nu paradoxaal genoeg juist niet het geval. Het zal vooral de extra productie van groene stroom afremmen. Want door de richtlijn wordt de groencertificatenmarkt in tweeën gedeeld: een voor groencertificaten voor stroom van oude centrales en een voor certificaten voor stroom van nieuwe centrales. De laatste markt zal dan een zeer laag handelsvolume krijgen.

Nieuwe richtlijnen
Bij een verbod op handel in groencertificaten voor gesubsidieerde groene stroom – zoals ik al in het begin van het stuk bepleitte - zullen kleine stroomproducenten geen groencertificaten aanvragen voor de stroom uit nieuwe installaties. Zij verkiezen dan subsidie van de overheid, die meer zekerheid biedt. Slechts een paar heel grote elektriciteitsbedrijven zullen het zich kunnen permitteren om groene centrales te bouwen die zonder overheidssubsidies werken, louter op basis van onzekere extra opbrengsten uit de verkoop van groencertificaten. Zij zullen die certificaten vooral voor hun eigen leveranciersbusiness gebruiken en heel weinig certificaten op de markt brengen, om zo de prijs op te drijven. Het gevolg van het fragmenteren van de groencertificatenmarkt is dat de groene stroomproducten zeer duur zullen uitpakken, onbereikbaar duur voor vele consumenten. De particuliere groene stroommarkt zal dan juist inzakken. De toetreding van nieuwe aanbieders op de markt voor groene stroom wordt zwaar belemmerd. Dit alles is het tegendeel van wat de EU beoogt.

Beter zou het zijn dat in de nieuwe richtlijn elke directe stimulans voor groene stroom uit nieuwe centrales wordt vermeden. Daarvoor in de plaats kan de richtlijn beter een verplicht “groenlabel” voor de levering van elektriciteit te introduceren, op een voor de consument goed herkenbare schaal die loopt van A tot G. In de G-klasse vallen dan stroomproducten met een verwaarloosbaar percentage ongesubsidieerde groene stroom. In de A-klasse vallen dan stroomproducten met een percentage ongesubsidieerde groene stroom van bijvoorbeeld boven 50 procent.

Groenlabels
In de toekenning van de groenlabels zou wel een limiet moeten gelden voor het meetellen van stroom uit grote waterkrachtcentrales, en gesubsidieerde stroom wordt al helemaal niet meegeteld. Dit zal bijdragen aan een grote, prijshoudende markt voor groencertificaten in Europa. En daardoor zal de particuliere markt voor groene stroom daadwerkelijk de productie van extra groene stroom bevorderen, bovenop de extra groene stroom die wordt opgewekt als gevolg van steunmaatregelen van de overheid. Voorwaarde is wel dat bij alle consumenteninformatie over het groene karakter van stroomleveranties het groenlabel expliciet vermeld wordt. De consument kan dan zelf een afweging maken tussen de “groenheid” van de aangeboden stroom en het prijskaartje dat daar aan hangt. Concurrentie wordt dan via reële, door de overheid te controleren productdifferentiatie gestimuleerd, met voor iedereen begrijpelijke kwaliteitslabels. Een reëel prijskaartje aan groene stroom zal in eerste instantie wel de vraag verminderen, maar de verwachting is dat ook energie uit fossiele bronnen snel duurder wordt. Dit is een kwestie van gezonde marktwerking. Bovendien kan de consument er in deze situatie echt op vertrouwen dat hij met zijn productkeuze de elektriciteitssector een vergroeningsprikkel geeft.

Jaap Jansen
ECN Beleidsstudies
Tel. 0224 - 564437
j.jansen@remove-this-part-ecn.nl