Wat betekenen recente ontwikkelingen in het Duitse energiebeleid voor Nederland?

vrijdag 16 mei 2014 10:00

Op 15 mei organiseerden ECN en PBL een druk bezocht ochtendsymposium over de betekenis van het Duitse energiebeleid voor Nederland.

In kernachtige presentaties (zie de koppelingen onderaan de pagina) werd ingegaan op de stand van zaken van de ‘Energiewende’, de verschillen in stimuleringsregimes voor hernieuwbare energie, veranderingen die vanuit de Europese Commissie zijn afgesproken, de dynamiek van de elektriciteitsmarkt en de mate waarin het lukt om vergroening van de economie ten bate van concurrentiekracht te laten komen. In een paneldiscussie werd vervolgens ingegaan op het beleid inzake hernieuwbare energie, de positie van de industrie in het energiebeleid en de uitdagingen waarvoor de elektriciteitsmarkt staat. Afsluitend werden de volgende conclusies getrokken:

  • Enkele jaren geleden zou een dergelijke bijeenkomst waarschijnlijk vooral zijn gegaan over wat Nederland van Duitsland kan leren. Het laatste jaar is dat veranderd en zijn er evenzeer lessen door Duitsland van het Nederlandse energiebeleid te trekken.
  • Het Duitse beleid heeft een aantal sterke punten, die zekerheid bieden. Dat zijn het hebben van lange termijn doelen waar serieus aan wordt gewerkt; de inbedding van energie in industriepolitiek en de betrokkenheid van burgers en daarmee stevig draagvlak. Daar staat tegenover dat er ook problemen zijn ontstaan, die voor onzekerheid zorgen. Dit betreft de oplopende kosten en verdeling daarvan; het paradoxale verschijnsel dat ondanks de groei van hernieuwbare energie sinds  enkele jaren  de uitstoot van broeikasgassen door elektriciteitsproductie stijgt; en de toenemende onbetrouwbaarheid en verminderde toekomstvastheid van het elektriciteitssysteem.
  • Nederland liep achter en doet dat in sommige opzichten nog steeds. Na de afsluiting van het ‘Energieakkoord voor Duurzame Groei’ gaat het erom afspraken uit te voeren: aan de slag. Verdere oriëntatie op de toekomst moet in het verlengde liggen van dit feitelijk handelen – het is geen oproep tot een pas op de plaats.
  • Nadenken over nieuw energiebeleid of aanpassingen van beleidsinstrumenten moet vooral in een internationale context plaatsvinden. De energiesystemen van Nederland, Duitsland en andere landen zijn immers verknoopt. We vernamen dat Nederland en Duitsland hierover dialoog hebben. 
  • Tijdens het symposium kwamen een aantal punten naar voren waarop Nederland en Duitsland samen kunnen nadenken. Zo staat de ordening van de elektriciteitsmarkt voor grote uitdagingen. Door de dalende tendens van de groothandelsmarkt vanwege een verder toenemend aandeel wind- en zonne-energie zal het moeilijk worden van de subsidies voor hernieuwbare energie af te komen. Meer flexibiliteit in het systeem is gewenst en de mogelijkheden daartoe kunnen samen worden bezien. Het is geenszins zeker of daarbij wel nieuwe financieringsstromen voor capaciteit nodig zijn, er lijken nog veel alternatieven daarvoor te bestaan. Verder zal een aandachtspunt blijven hoe de kosten van een schoner elektriciteitssysteem beheersbaar blijven en hoe dat op zo’n manier kan dat maximaal gebruik gemaakt wordt van innovatiekracht, maar ook de positie van burgers en kleinschalige opwekking niet worden vergeten.
  • Daarnaast zijn er thema’s voor een gezamenlijke uitvoeringsagenda, bijvoorbeeld in het kader van het Pentalateraal Forum. Voorbeelden daarvan zijn verdere versterking van marktkoppeling en afstemming van aanpassingen van de stimulering van hernieuwbare energie. 
  • Tenslotte kan vanuit een gemeenschappelijk gevoeld belang samen worden opgetrokken in Brussel om het emissiehandelssysteem te verbeteren. De verwachting dat dit snel lukt is echter niet hoog gespannen.

Presentaties

Sander Lensink (ECN): 
Stimuleringsregimes duurzame energie in Duitsland en Nederland

Paul Koutstaal (ECN): 
Dynamiek van de Duitse en Nederlandse elektriciteitsmarkt

Jos Notenboom (PBL): 
Stand van zaken Duitse ‘Energiewende’ 

Ton Manders (PBL): 
Vergroenen en verdienen

Categorie: Corporate, Beleidsstudies