Bewijs voor succesvolle commerciële toepassing bioraffinage

donderdag 10 juli 2014 16:12

Met bioraffinage kan succesvol een scala aan commerciële producten vervaardigd worden. Zonder te concurreren met voedselproductie worden tarwestro en rijststro omgezet in kunststoffen, lijmen of hars. Dit bewijs leverde ECN samen met haar partners in het Europese BIOCORE-project.

Sinds 2010 werkt ECN samen met meer dan 20 internationale partners in het BIOCORE-project. Het project heeft aangetoond dat ook de afvalstromen van ruwe grondstoffen als hout, gras en stro een commerciële waarde vertegenwoordigen. Door het afval niet te verbranden maar te raffineren, wordt tevens luchtverontreiniging tegengegaan. “Een groot deel van de jaarlijks vrijkomende 500 tot 700 miljoen ton stroafval wordt nu nog verbrand”, legt onderzoeker Paul de Wild van ECN uit. “Dat is zonde, want waardevolle reststoffen en warmte worden niet benut. Door bioraffinage kunnen we er nuttige producten van maken en reststoffen inzetten voor energietoepassingen.”

Valorisatie van de gehele biomassa
De uitkomsten van het BIOCORE-project zijn een doorbraak op het gebied van bioraffinage. Het Franse CIMV SA bouwt samen met investeerder Sinopec een eerste bioraffinagefabriek in China. “Ons onderzoek heeft aangetoond dat bioraffinage klaar is voor opschaling tot industrieel gebruik. Alle seinen staan op groen om waardevolle materialen te maken voor maatschappelijke toepassing. Bijvoorbeeld biobrandstoffen voor transport, bioplastics,  commerciële verven, medicijnen of geur- en smaakstoffen. De functionaliteit van biomassa gaat veel verder dan die van ruwe aardolie, waar deze producten nu nog van worden gemaakt”, aldus Paul de Wild.

Benchmark voor fractionering (scheiding) van biomassa
Onderzoekers van ECN hebben met name het begin en eind van het bioraffinageproces sterk verbeterd. De Wild: “Stro moet goed voorbewerkt worden om de kwaliteit van het eindproduct te kunnen garanderen. Wij hebben een benchmark gemaakt van het fractioneringsproces. Hierbij hebben we ECN’s ‘organosolv’-methodiek afgezet tegen een Frans fractioneringsproces. Waar wij werken met een waterige oplossing van alcohol (ethanol) en water, kiezen zij voor azijnzuur en mierenzuur.” De benchmark heeft  detailverschillen aangetoond en bewijst dat beide methodieken succesvol zijn.

Sluitende ecoketen
Dat restproducten van bioraffinage ook een waarde kunnen vertegenwoordigen, toonde ECN aan. Stof en vezels kunnen schoon en efficiënt verbrand of vergast worden voor energietoepassingen. En waterige afvalstromen kunnen via vergisting omgezet worden in biogas. De Wild: “Het was ons doel om de totale bioraffinageketen te sluiten en dat is gelukt. Zelfs digestaat (het vaste restproduct van de vergisting), dat slecht verteerbaar is, kunnen we inzetten als toevoeging voor bijvoorbeeld veevoer, kunstmest of bouwmaterialen.”

Meer informatie?
Wilt u meer weten over bioraffinage of onze samenwerking in het BIOCORE-project?
Paul de Wild van ECN vertelt u er graag meer over.

Categorie: Juli, Corporate, Biomass