ECN: Referentieramingen 2008-2020

ECN

Energie- en emissiescenarios - Nationale scenarios

Referentieramingen - Actualisatie Energie en Emissies 2008-2020

Het rapport Actualisatie referentieramingen. Energie en emissies 2008-2020 is geschreven in opdracht van en in samenwerking met het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL).
De samenvatting van het rapport volgt de onderdelen:

  • Het doel van de actualisatie referentieramingen. Lees verder
  • Toekomstige economische ontwikkelingen: GE-scenario gehandhaafd. Lees verder
  • Hogere olie- en CO2-prijs. Lees verder
  • Broeikasgasemissies zijn hoger dan in de raming uit 2005. Lees verder
  • Gemiddelde energiebesparingstempo ongewijzigd ten opzichte van de raming uit 2005. Lees verder
  • Aandeel hernieuwbare energie lager dan in de raming uit 2005. Lees verder
  • Raming luchtverontreinigende stoffen in 2020 lager dan in de raming uit 2005. Lees verder
  • Onzekerheden geraamde BKG-emissie. Lees verder

Het doel van de actualisatie referentieramingen
In deze actualisatie van de referentieramingen (UR) is de Global Economy-variant van de referentieramingen uit 2005 (RR2005) aangepast voor nieuwe inzichten en beleidswijzigingen die op de emissies van broeikasgassen en luchtverontreinigende stoffen, het aandeel hernieuwbare energie en het energiebesparingstempo van invloed zijn. Het gaat daarbij onder meer om aanpassingen van energieprijzen en CO2-prijzen, nieuwe informatie over het verwachte aantal elektriciteitscentrales en warmtekrachtkoppelingsinstallaties (WKK) in de industrie en de glastuinbouw, en het gebruik van nieuwe verkeerscijfers. De belangrijkste beleidswijzigingen zijn het vastgestelde Europese energie- en klimaatpakket, de vervanging van de regeling Milieukwaliteit Elektriciteitsproductie (MEP) voor hernieuwbare elektriciteit door de Stimuleringsregeling Duurzame Energie (SDE-regeling), en het akkoord over het lagere zwavelgehalte van brandstoffen voor de zeescheepvaart. Ook houdt deze actualisatie - waar mogelijk - rekening met de feitelijke ontwikkelingen tot en met 2007. In deze geactualiseerde referentieraming zijn alle nieuwe inzichten integraal samengebracht.
De voorliggende actualisatie is uitsluitend gebaseerd op vastgesteld beleid. De effecten van het voorgenomen, nog in ontwikkeling zijnde energie- en klimaatbeleid uit het Werkprogramma Schoon en Zuinig zijn in een afzonderlijke studie van ECN en PBL verkend. De actualisatie kan daarom niet zelfstandig worden gebruikt om te beoordelen in hoeverre de verschillende beleidsdoelen voor energie en klimaat in 2020 zullen worden gerealiseerd. Wel biedt de voorliggende referentieraming een nieuw ijkpunt voor de genoemde verkenning van de effecten van het voorgenomen beleid.

Toekomstige economische ontwikkelingen: GE-scenario gehandhaafd
Een raming van emissies in 2020 vraagt om veronderstellingen over toekomstige ontwikkelingen die van invloed zijn op de omvang van de emissie, het energiebesparingstempo en het aandeel hernieuwbare energie. Het gaat dan onder andere om ontwikkelingen ten aanzien van de economie, de daarbij passende productie- en consumptievolumes, de samenstelling en omvang van het elektriciteitsproductie- en wagenpark, en technologie. De toekomstige economische ontwikkelingen (vanaf 2008) zijn - net zoals in de referentieraming uit 2005 - ingekleurd op basis van een langetermijnscenario. In tegenstelling tot de referentieraming uit 2005, waarin zowel het GE-scenario als het SE-scenario zijn doorgerekend, worden de emissies in deze actualisatie uitsluitend tegen de achtergrond van het GE-scenario geraamd. Sinds 2005 heeft de GE-raming namelijk steeds meer de referentiestatus gekregen. Wel is door middel van een onzekerheidsanalyse nagegaan wat de effecten zijn van een (veel) lagere economische groei dan verondersteld in het GE-scenario.
Het GE-scenario schetst een toekomst die is gebaseerd op een consistente set veronderstellingen over langetermijntrends. In zo’n scenario wordt geen rekening gehouden met tijdelijke afwijkingen van die trends of schokken die in de economie optreden, zoals de huidige kredietcrisis. De gemiddelde jaarlijkse economische groei bedraagt volgens het GE-scenario 2,9%. Het GEscenario is geen voorspelling, maar schetst een mogelijke toekomst.
Voor broeikasgasemissiedoelen is een scenario met een hoge economische groei een conservatieve benadering. Als emissiedoelen bij relatief hoge groei worden gerealiseerd, is de kans groot dat dat bij een lagere groei ook het geval zal zijn. Dit geldt ook voor het doel voor het aandeel hernieuwbare energie: de absolute hoeveelheid hernieuwbare energie (in PJ) wordt vooral bepaald door de financiële middelen die de overheid beschikbaar stelt. Bij gelijkblijvende financiele middelen (en daarmee ook de hoeveelheid hernieuwbare energie) is het aandeel hernieuwbare energie bij lage economische groei hoger dan bij hoge groei, omdat de hoeveelheid hernieuwbare energie dan betrokken wordt op een lager energiegebruik. Voor het energiebesparingstempo is een gematigde economische groei in principe ongunstiger dan een hoge groei, omdat de toepassing van energie-efficiënte productiecapaciteit en consumptiegoederen minder snel groeit. Wel is het mogelijk dat bij economische krimp - zoals die momenteel als gevolg van de kredietcrisis optreedt - versneld oude, inefficiënte productiecapaciteit uit productie gaat. Dit zou juist weer een gunstig effect op het  energiebesparingstempo kunnen hebben.

Hogere olie- en CO2-prijs
Hoewel de economische karakteristieken van het GE-scenario blijven gelden, zijn in de actualisatie van de referentieraming wel de olieprijs en CO2-prijs ten opzichte van de raming uit 2005 aangepast. De energieprijzen hebben de afgelopen jaren grote fluctuaties gekend. Sinds de referentieraming uit 2005 zijn de prijzen van energiedragers voornamelijk hoger geweest dan indertijd werd aangenomen. In deze actualisatie van de referentieraming wordt gerekend met twee olieprijs-varianten, te weten $ 80 per vat (UR-GE) en $110 per vat (UR-GE(h)). In deze actualisatie wordt de UR-GE-variant als basispad gehanteerd. Ook de CO2-prijs fluctueert en is onzeker. De raming uit 2005 ging uit van een prijs van € 13 per ton CO2 in 2020. Op basis van de Europese reductiedoelstelling in de periode 2013-2020 voor de deelnemers van het Europese emissiehandelssysteem wordt nu met een hogere prijs van € 35 per ton CO2 rekening gehouden. Dit is in lijn met de CO2-prijs die door de Europese Commissie wordt verwacht.

Energie- en CO2-prijzen (€2008) in 2020

 

RR-GE

WLO-GHP

UR-GE

UR-GE(h)

Olieprijs €/GJ

4,9

8,0

8,5

11,8

Gasprijs €/GJ

4,9

7,0

6,4

7,9

Kolenprijs €/GJ

2,0

2,0

2,1

3,0

CO2-prijs €/ton

13

13

35

35

Broeikasgasemissies zijn hoger dan in de raming uit 2005
De CO2-emissies nemen in de geactualiseerde raming toe tot 224,6 Mton in 2020. Dit is bijna 20 Mton meer dan in de raming uit 2005. Vooral de nieuwe elektriciteitscentrales die tussen 2010 en 2015 opstarten, zijn hier debet aan. Aangezien de elektriciteitscentrales onder het Europese emissiehandelssysteem (ETS) vallen, heeft deze toename geen invloed op het behalen van het Nederlandse emissiereductiedoel van 30% in 2020. Het kabinet heeft namelijk in 2008 besloten om het Europese reductiedoel van 21% voor de Nederlandse ETS-sectoren als resultaat in te boeken. Door deze keuze is het voor het Nederlandse reductiedoel niet meer relevant hoe veel CO2 de ETS-sectoren in 2020 daadwerkelijk uitstoten. Ook voor het Europese doel is het niet relevant hoeveel CO2 de ETS-sectoren op Nederlands grondgebied uitstoten, zo lang de Europese ETS-sectoren als geheel aan het reductiedoel voldoen. De CO2-emissie van sectoren die niet onder het ETS vallen, blijft in vergelijking met de raming uit 2005 nagenoeg gelijk. De emissies van niet-CO2 broeikasgassen zijn circa 5 Mton lager dan in de raming uit 2005. Dit wordt vooral veroorzaakt door de reductie van lachgasemissies bij de salpeterzuurproductie.

Ontwikkeling totale CO2-emissies

Gemiddelde energiebesparingstempo ongewijzigd ten opzichte van de raming uit 2005
Evenals in de raming uit 2005 komt de energiebesparing in geactualiseerde raming in de periode 2005-2020 gemiddeld uit op ongeveer 1% per jaar. In de periode tot 2010 is de jaarlijkse besparing hoger dan dit gemiddelde, vooral door de snelle groei van WKK in de glastuinbouw, en in mindere mate door energiebesparing in de huishoudens als gevolg van de snelle invoering van HR-ketels. Na 2010 valt de besparing iets terug naar 0,8% per jaar gemiddeld tussen 2010 en 2020, doordat opvolgers van de HR-ketel minder snel worden ingevoerd en in de glastuinbouw vrijwel het gehele WKK-potentieel al is benut.

Ontwikkeling totaal primair energiegebruik

Aandeel hernieuwbare energie lager dan in de raming uit 2005
De hoeveelheid hemieuwbare energie wordt vooral beïnvloed door de SDE-regeling. Deze regelingleidt met name tot een groei van hernieuwbare elektriciteit. In tegenstelling tot de oude MEP-regeling is de SDE-regeling geen openeinderegeling waardoor de hoeveelheid hemieuwbare energie wordt begrensd door het subsidieplafond. Bovendien is de SDE niet van toepassing op de bijstook van biomassa in kolencentrales. A1 met al leidt dit tot een fors lager aandeel hernieuwbare energie dan in de raming uit 2005: het aandeel komt in de geactualiseerde raming uit op 5% in 2020. Uitgangspunt voor de beschikbare subsidie zijn alleen de in februari 2009 gereserveerde budgetten, dus exclusief 160 mln/jaar vanaf 2014 uit het aanvullend coalitieakkoord. De onzekerheid over de beschikbare subsidie voor nieuwe projecten na deze kabinetsperiode tot 2020 is groot. De kans op substantiële langetermijnsubsidie gericht op het bereiken van de kabinetsdoelen is echter niet in de onzekerheidsbandbreedte opgenomen.

Raming luchtverontreinigende stoffen in 2020 lager dan in de raming uit 2005
Hoewel er voor de SO2-emissie na 2010 sprake is van een stijgende trend door de uitbreiding van het aantal kolencentrales, zijn de emissies van SO2 volgens de nieuwe raming in 2020 lager dan in de raming uit 2005. Deze daling wordt voornamelijk veroorzaakt door de convenantafspraken met de elektriciteitsector en de raffinaderijen. Ook de emissie van NOx in 2020 is in de nieuwe raming aanmerkelijk lager dan in de raming uit 2005. Het verschil wordt veroorzaakt door een sterke afname van de NOx-emissie in het verkeer, vooral als gevolg van aangescherpte Euronormering voor licht wegverkeer. De emissie van NH3 is volgens de nieuwe raming in 2020 15 kton lager dan in de raming uit 2005, met name door ontwikkelingen in beleid. Ook de emissie van NMVOS is in 2020 in de nieuwe raming lager dan in de raming uit 2005, vooral als gevolg van nieuwe inzichten over de NMVOS-emissies bij verkeer en vervoer.

Onzekerheden geraamde BKG-emissie
Op basis van de inschatting van de belangrijkste onzekerheden is de bandbreedte in CO2-emissie 225 - 262 Mton in 2020. Onzekerheden in de omvang en samenstelling van het elektriciteitspark hebben een belangrijk aandeel in de totale bandbreedte. De belangrijkste factoren die hierop van invloed zijn, zijn de COl-prijs en brandstofprijzen. Deze factoren bepalen namelijk voor een belangrijk deel hoe groot het concurrentievoordeel van Nederlandse elektriciteitscentrales is ten opzichte van centrales in omringende landen, en daarmee de omvang van het exportsaldo van elektriciteit.
Door de kredietcrisis is een extra onzekerheid ontstaan. In hoeverre de huidige productiekrimp de lange-termijn economische groei 2020 beïnvloedt, is op dit moment niet te duiden. In de onzekerheidsanalyse voor 2020 is de gevoeligheid voor een lage productiegroei ingeschat op basis van een gemiddelde groei van circa 1% per jaar voor de periode 2008-2020 (conform het RC-scenario).
Door de kredietcrisis krimpt de economie volgens het CPB met 3,5% in 2009 en met 0,25% in 2010, waardoor de productiegroeì tijdelijk onder het RC-scenario ligt. Maar indien verondersteld wordt dat de groei vanaf 2011weer op het niveau komt te liggen van de langetermijn historische trend van 1,7% per jaar, dan ligt het bruto binnenlands product (bbp) in 2020 op een niveau tussen RC en GE. Als vanaf 2011 de lange-termijn groei volgens het GE scenario wordt gerealiseerd, ligt het bbp in 2020 zelfs beduidend hoger dan in RC.
De onzekerheid in de productiegroei werkt vooral door in de emissies van de industrie, verkeer en vervoer en landbouw. In verkeer en vervoer speelt ook de onzekerheid rond de verbetering van brandstofefficiëntie een belangrijke rol. De effecten van de belangrijkste onzekerheden zijn overigens niet integraal doorgerekend maar zijn gebaseerd op expertoordelen.
De invloed van de olieprijs op de emissies is in de geactualiseerde raming beperkt. Bij een olieprijs van $80 per vat (UR-GE) is de COl-emissie circa 1,5 Mton hoger dan bij een olieprijs van $110 per vat (UR-GE(h)).

De afkortingen in de figuren en tabel staan voor:

  • RR-GE: Referentieraming Global Economy.
  • UR-GE: Update Referentieraming Global Economy.
  • UR-GE(h): Update Referentieraming Global Economy hoge energieprijsvariant.
  • WLO-GHP:  Welvaart en Leefomgeving langetermijn verkenningen - Global Economy Scenario met hoge olieprijs.

Voor meer informatie zie:

De contactpersoon bij ECN is Bert Daniels en bij PBL Wim van der Maas.

Gedetailleerde informatie over de vorige versie van de Referentieraming (2005-2020) is ook nog beschikbaar.

ECN, Postbus 1, 1755 ZG Petten, tel. 0224 56 4949  |   Disclaimer  |  Privacy Statement