ECN: Milieueffecten

ECN

Elektriciteitsproductie - Centrale productie

Feiten en Gegevens over Kernenergie

Welke milieueffecten mogen worden verwacht van de toepassing van kernenergie?

De milieueffecten van kernenergie worden vooral bepaald door de ioniserende straling, emissies van radioactieve stoffen en radioactief afval dat bij de verschillende processtappen van de splijtstofcyclus en tijdens de verschillende fasen van de installaties (d.w.z. productiebedrijf en ontmanteling) ontstaat. Hierbij wordt uitgegaan van normale bedrijfsvoering. Voor een vergelijking met andere elektriciteitsproductieopties zijn ook de emissies van ondermeer kooldioxide (CO2) relevant.

De milieubelasting bij winning en verwerking van uranium is afhankelijk van het type mijnbouw, het beheer van de mijn en van de tailings (restproduct van de ertsverwerking). De betrokken mijnwerkers worden blootgesteld aan natuurlijk radongas en vrijkomend stof, wat een risicofactor voor longkanker vormt. De belasting van het milieu houdt voornamelijk verband met de radonemissies naar de lucht en emissies van zware metalen naar water en bodem. In principe is het mogelijk door een goede afdichting van de tailingreservoirs deze milieubelasting te minimaliseren tot een niveau van natuurlijke emissies van radon uit de bodem. Maar zelfs bij goed afgedekte reservoirs blijft een zeker milieurisico bestaan omdat de tailings duizenden jaren radioactief blijven.

De gemiddelde hoeveelheid ioniserende straling waaraan elke Nederlander wordt blootgesteld bedraagt 2500 microsievert per jaar. De stralingsbelasting waaraan de bevolking wordt blootgesteld in verband met emissies van radioactieve stoffen in de lucht door een kerncentrale is minder dan 0,04 microsievert per jaar (kerncentrale Borssele). Van de hele splijtstofcyclus levert, onder normale bedrijfsomstandigheden, de opwerkingsinstallatie met 8 microsievert per jaar relatief de grootste bijdrage aan de stralingsbelasting. Deze wordt vooral bepaald door emissies van de relatief langlevende splijtingsproducten koolstof-14 en krypton-85 die bij de opwerking van bestraalde splijtstof worden geloosd in de lucht.

Omdat hoogradioactief gebruikte splijtstof ruim honderdduizend jaar ioniserende straling produceert moet het in een eindberging goed van de leefomgeving worden afgesloten. Voor de eindberging zijn analyses gemaakt van de maximale stralingsdosis waar de bevolking aan wordt blootgesteld indien de eindberging om allerlei redenen minder goed zou isoleren dan verwacht. De berekende risico’s zijn klein maar kennen nog onzekerheden. Deze worden vooral bepaald door lokale omstandigheden. Er is nader locatiespecifiek onderzoek nodig voordat een definitieve keuze kan worden gemaakt voor een eindberging voor hoogradioactief afval.

Bij ontmanteling van een kerncentrale worden emissies en straling op dezelfde wijze gecontroleerd als tijdens het bedrijf van de centrale. Bij ontmanteling ontstaat voornamelijk laag- en middelradioactief afval. Dit afval wordt op dezelfde wijze verwerkt als het laag- en middelradioactief afval dat bij het bedrijven van de kerncentrale ontstaat.

De CO2-emissies van kernenergie gedurende de levenscyclus van een kerncentrale zijn per kWh vergelijkbaar met die van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen. Voor kerncentrales worden waarden gerapporteerd van 5 tot 65 gram CO2 per kWh. Voor Europese kerncentrales zijn emissies berekend van 8 tot 32 gram CO2 per kWh. De cijfers gelden voor de huidige winning van uranium, maar kunnen toenemen bij winning van armere uraniumertsen. Voor windenergie zijn CO2-emissies berekend van 6 tot 23 gram per kWh en voor elektriciteit afkomstig van huidig type zonnepanelen 30 tot 100 gram CO2 per kWh. Voor CO2-emissies van de levenscyclus van kolencentrales zonder CO2-afvang en -opslag worden waarden gerapporteerd die liggen tussen 815 en 1153 gram per kWh en voor gascentrales tussen 362 en 622 gram per kWh.

ECN, Postbus 1, 1755 ZG Petten, tel. 0224 56 4949  |   Disclaimer  |  Privacy Statement