ECN: Produktiepark

ECN

Modelinstrumentarium - Powers

Invoergegevens

Productiepark

Centrale park
Het bestaande centrale Nederlandse productiepark (pdf 51 kB) is tot in detail gemodelleerd. Toekomstige productie-eenheden kunnen tevens worden ingevoerd. Elke productie-eenheid is bij een van de bestaande grote producenten ondergebracht. Nieuwkomers, niet vallend onder een van de grote producenten, worden gezamenlijk onder de producent ?Nieuwkomer? ondergebracht. Voorbeeld hiervan is de Rijnmond Energie centrale van Intergen die in 2004 in bedrijf is gekomen.

 

Per productie-eenheid zijn de volgende parameters van belang:

  1. Brandstof (aardgas, hoogovengas, steenkool, olie, biomassa, afval, uranium)
  2. Netto elektrisch vermogen (MWe)
  3. Jaar wanneer voor eerst in bedrijf
  4. Jaar uit bedrijf
  5. Elektrisch rendement
  6. Thermisch rendement
  7. Variabele B&O-kosten (excl. brandstof) (ct/kWh)
  8. Investeringskosten (?/kW)
  9. Maximale beschikbaarheid, per seizoen
  10. Wel of geen biomassa meestook of bijstook
  11. Vrijgekomen CO2 wel of niet gebruikt voor bemesting
  12. In geval van warmtelevering: naar welke sectoren de warmte wordt geleverd (in verband met koppeling en integratie met sectormodellen).

Het centrale park bevat het totaal beschikbare vermogen, dus ook het door TenneT gecontracteerde regel- en reservevermogen. Dat vermogen wordt echter niet expliciet ge?dentificeerd.

Warmtekrachtkoppeling (WKK)
De decentrale productie bestaat uit elektriciteitproductie met behulp van ondermeer warmtekrachtkoppeling, windturbines en afvalverbrandingsinstallaties (AVI?s). In de praktijk kan decentrale productie in eigendom zijn van grootverbruikers, kleinverbruikers en ook van energieleveranciers (i.e. de handelaren). Omdat het decentraal vermogen van de kleinverbruikers en huishoudens op individuele schaal zeer klein is en omdat deze verbruikersgroepen in het model de leverancier als intermediair gebruiken, is aangenomen dat dit vermogen gelijkmatig over het vraagpatroon is verdeeld.

Het grootste aandeel decentraal vermogen wordt gedekt door warmtekrachtkoppeling (WKK). Dit WKK-vermogen is onder te brengen in drie klassen:

  1. Grootschalige WKK in eigendom van een productiebedrijf
  2. Grootschalige WKK in eigendom van een grootverbruiker
  3. Kleinschalige en grootschalige WKK in eigendom van een energieleverancier.

De eerste categorie is ondergebracht bij het park van de verschillende producenten. In de exploitatiekosten van deze centrales wordt tevens rekening gehouden met de inkomsten door warmteproductie.

Het aanbod van WKK uit de laatste twee categorie?n wordt in een apart en gedetailleerd model bepaald, het zogenoemde SAVE-productie/WKK-model. Investeringen en inzet van dat WKK-vermogen is afhankelijk van de marktprijs. Bij een te lage marktprijs zal (een deel van het) WKK-vermogen niet worden ingezet. De benodigde warmte wordt dan met (hulp)ketels geproduceerd.

Duurzame opwekking
In POWERS kan het grootschalig duurzaam opwekkingsvermogen apart worden gemodelleerd, zoals bijvoorbeeld off-shore windparken of biomassa centrales. De bijdragen van meer kleinschalig en decentraal duurzaam vermogen, zoals wind op land, waterkracht, PV, kleine biomassa gestookte eenheden en AVI?s worden apart ingeschat. De geschatte productie wordt verrekend in de elektriciteitsvraag die voor het POWERS-model resteert, op een vergelijkbare manier als het kleinschalige WKK-vermogen.

ECN, P.O. Box 1, 1755 ZG Petten, tel +31 224 56 4949  |  Disclaimer  |  Privacy Statement