Voor het buitenlandse productieaanbod zijn aanbodscurven gebruikt zie zijn ontleend aan Europese energiescenario?s. In het huidige model is er een uitwisseling mogelijk met vijf landen: Belgi?, Frankrijk, Duitsland, Verenigd Koninkrijk en Noorwegen. De laatste twee landen zullen in de toekomst een verbinding met Nederland krijgen.
De hoeveel elektriciteit die met het buitenland wordt uitgewisseld is primair afhankelijk van verschillen in marginale productiekosten van elektriciteitsopwekking in Nederland met die in aangrenzende landen. Wanneer deze productiekosten lager liggen zal door leveranciers en handelaren elektriciteit in het buitenland worden gekocht. Hiervoor bestaat evenwel een volumebeperking die wordt bepaald door de capaciteit van de interconnectors.
In de beide scenario?s SE en GE worden in alle genoemde landen gascentrales gebouwd, en is in de piekperioden niet langer sprake van grote verschillen in marginale productiekosten. In de dalperioden zullen zich nog wel structurele kostenverschillen voordoen doordat bepaalde landen blijven beschikken over centrales met lage variabele productiekosten die niet in andere landen aanwezig zijn (nucleair, waterkracht). Ten aanzien van de interconnectie capaciteit worden geen verschillen verondersteld tussen de twee scenario?s.
Figuur Ontwikkeling interconnectie capaciteit in off-peak periode in SE en GE
Verondersteld is dat de verbinding met Noorwegen van 700 MW in 2008 gereed komt. Eind 2004 is hiertoe door TenneT besloten, na goedkeuring door DTe. Er zijn tevens plannen voor een verbinding met het Verenigd Koninkrijk van 1300 MW. De plannen gaan er van uit dat deze rond 2008/2009 gerealiseerd wordt. In SE en GE is echter verondersteld dat die verbinding pas later tot stand komt, tussen 2011 en 2012. In tegenstelling tot de verbindingen met Belgi? en Duitsland, wordt de uitwisseling van stroom over deze gelijkstroomkabels met Noorwegen en Engeland niet be?nvloed door stroomtransport op andere hoogspanningsverbindingen.