Alles dat leeft staat in contact met zijn omgeving. Daarbij worden voortdurend allerlei stoffen opgenomen en weer uitgescheiden. Dieren nemen organisch materiaal op en scheiden kooldioxide uit. Planten doen het omgekeerde: zij nemen kooldioxide op uit de atmosfeer en zetten dat om in organisch materiaal. Dit materiaal kan de mens uit de kringloop nemen en gebruiken voor allerlei doeleinden, waaronder opwekking van energie door het te verbranden (al dan niet met vergassing als tussenstap).
Als het verstookte materiaal lang geleden is ontstaan noemen we het fossiele brandstof. Voorbeelden daarvan zijn steenkool, bruinkool en aardolie. Het gebruik daarvan draagt bij aan het broeikaseffect, doordat koolstof die in de grond zat wordt omgezet in kooldioxide die in de atmosfeer terechtkomt.
Als het verstookte materiaal kortgeleden is gegroeid dan noemen we het groene brandstof (of biobrandstof). Voorbeelden zijn hout, afval uit de voedingsmiddelenindustrie (bijv. suikerriet, cacaodoppen) en diermeel. Het gebruik daarvan draagt niet bij aan het broeikaseffect doordat de koolstof die erin zit kortgeleden werd opgenomen uit de atmosfeer, zodat de netto toevoeging van kooldioxide aan de atmosfeer door het verstoken nul is.
De landen die het Kyoto verdrag hebben ondertekend hebben zich ertoe verplicht hun uitstoot van broeikasgassen in te perken. De voornaamste verplichting betreft het beperken van de uitstoot van kooldioxide, waarbij voor elk deelnemend land een eigen grens geldt. Bedrijven en particulieren merken dit doordat op niet-groene brandstof (ook wel grijze brandstof genoemd) een belasting wordt geheven. De meeste grote bedrijven krijgen bovendien – net zoals de landen waarin zij zijn gevestigd – een quotum opgelegd voor het gebruik van fossiele brandstoffen. Als zij daarboven komen dan moeten zij de ontbrekende emissierechten inkopen; blijven zij daaronder dan kunnen zij de niet gebruikte rechten verkopen.
Zowel voor de berekening van de te betalen belasting als voor de berekening van de verbruikte emissierechten is het nodig om zo nauwkeurig mogelijk te weten welk aandeel van de gebruikte brandstof fossiel was, en welk aandeel groen. Het eerste draagt immers bij aan de die berekeningen, maar het tweede niet. Omdat het kan gaan om aanzienlijke bedragen is het zeer belangrijk beide soorten brandstof goed uit elkaar te kunnen houden. Maar dat is niet altijd even makkelijk.
Als er een enkelvoudige brandstof wordt gebruikt zoals steenkool of houtsnippers dan is het duidelijk dat alle koolstof die in de brandstof aanwezig is ofwel voor 100%, ofwel in het geheel niet bijdraagt. Lastiger wordt het al wanneer biobrandstof wordt bijgemengd in een stroom fossiele brandstof, zoals diermeel in de poederkool van een elektriciteitscentrale. De mengverhouding moet dan nauwkeurig bekend zijn en blijven. Echt een probleem wordt het als de brandstof bijvoorbeeld bestaat uit een mengsel zoals huisvuil of kantoorafval. Daarin zitten honderden verschillende bestanddelen in de vorm van intensief vermengde snippers en brokjes, die geperst zijn tot pellets. Sommige bestanddelen zijn groen, zoals papier, hout, keukenafval en bio-kunststoffen. Andere bestanddelen zijn grijs, voornamelijk kunststoffen die werden gemaakt met aardolieproducten. In deze brandstoffen is het bepalen van het groendeel met een voldoende nauwkeurigheid en tegen een aanvaardbare prijs, alleen mogelijk door de verschillende soorten koolstof te bepalen die erin zitten.