Omwonenden van oude zandwinputten zagen vrachtladingen vol afgedankte bouwgrond verdwijnen in hun voorheen zo peilloos diepe en glasheldere zwemmeertje. Roestige fietswielen en drijvend piepschuim leidden tot bezorgdheid. Wat kwam er nog meer in het water terecht? Een commissie van deskundigen waar ECN aan deelnam wees uit dat de zorgen soms terecht waren. “We hebben een stevig, kritisch advies afgeleverd, dat toch overal positief is ontvangen”, zegt Rob Comans van ECN Biomassa, Kolen & Milieuonderzoek. “Dat is vooral te danken aan de doelmatige werkwijze van deze commissie. Die verdient zeker navolging.”
Op plaatsen waar vroeger zand werd afgegraven voor de bouw, zijn meertjes ontstaan die soms meer dan twintig meter diep zijn en als gevolg daarvan extreem helder en schoon. Waar geen zonlicht komt, is immers ook nauwelijks leven mogelijk. Het kan zinvol zijn zo’n meer te ‘verondiepen’. Bijvoorbeeld uit veiligheidsoverwegingen: het diepe water is zo koud dat zwemmers kramp kunnen krijgen en de randen van het meer gaan te steil naar beneden. Of vanuit ecologische motieven: om planten en dieren een kans geven en het meer bij de omgeving te betrekken.
Uitloogprocessen
Het Besluit Bodemkwaliteit uit 2008 schrijft voor dat in dit soort gevallen licht verontreinigde bouwgrond, slib en baggerspecie mogen worden gebruikt om de zandwinputten minder diep te maken. Dit besluit doet ook uitspraken over de mate van verontreiniging die is toegestaan. Maar zijn die afdoende? Omwonenden, boeren en milieuorganisaties waren er niet gerust op. Vragen in de Tweede Kamer noopten minister Cramer in maart 2009 om een onafhankelijke commissie van deskundigen in te stellen, die binnen twee maanden met een advies moest komen.
ECN-onderzoeker Rob Comans werd gevraagd voor deze Deskundigencommissie Zandwinputten vanwege zijn expertise op het gebied van uitloogprocessen. “Zolang schadelijke stoffen in de bodem blijven zitten, is er niet zoveel aan de hand”, zegt Comans. “Ze leveren pas risico op als ze zich uit de grond los maken en in het grond- of oppervlaktewater terechtkomen. Daarom is van belang om te weten in welke mate en over welke termijn een bepaalde stof onder bepaalde omstandigheden uitloogt.”
Hoorzittingen
Comans is enthousiast over de aanpak die de commissie volgde. “We zijn in vijf weken negen keer bij elkaar gekomen, om vanuit verschillende invalshoeken af te stemmen hoe we tegen de problematiek aankeken. In het begin hebben we een lange dag hoorzittingen gehouden. Alle belanghebbenden kwamen langs om hun zorgen en wensen aan ons voor te leggen. Die hebben we heel serieus genomen. Ook zijn we op werkbezoek gegaan naar het Mobagat bij Barneveld, waar in de voorafgaande maanden veel onrust was ontstaan. Beide acties waren informatief voor de commissieleden, maar maakten daarnaast ook voor de buitenwereld goed zichtbaar dat we zorgvuldig te werk gingen.” Het lijkt mede aan deze doordachte aanpak te danken dat het advies dat begin juni werd gepresenteerd behoorlijk positief is ontvangen: door de minister, maar ook door actiegroepen, pers en Tweede Kamer.
De commissie beveelt aan om onderscheid te maken tussen drie situaties.
Uiterwaarden
Voor zandwinputtten in de uiterwaarden die ’s winters worden overstroomd door rivieren, biedt het Besluit Bodemkwaliteit naar de mening van de commissie voldoende bescherming. Hier is de bodem toch al belast met licht verontreinigd rivierslib. Omwonenden zijn daarop ingesteld en de situatie verslechtert niet als Rijkswaterstaat de licht vervuilde baggerspecie die vrijkomt bij de verbreding van rivieren, in nabijgelegen zandwinputten afzet.
Zandwinputten
Voor zandwinputten binnen de dijken oordeelt de commissie dat de normen uit het Besluit Bodemkwaliteit moeten worden aangescherpt. “Voor het ophogen van wegen kan industriegrond heel geschikt zijn, maar in zandwinputten gelden andere condities. Met de kennis die we nu hebben, kunnen we onvoldoende garantie bieden dat industriegrond die binnen de huidige normen valt, op de lange termijn niet meer uitloging naar het grondwater veroorzaakt dan we acceptabel vinden”, zegt Comans. “Neem arseen”, vervolgt hij. “Daarvan is bekend dat het veel mobieler wordt in een zuurstofarme omgeving. Die situatie kan zich voordoen in diepe zandwinputten, waar het water weinig zuurstof bevat. Arseen mag dus slechts in een natuurlijke achtergrondconcentratie in de te storten grond aanwezig zijn.”
Kwetsbare gebieden
Ten slotte bakent de commissie een categorie kwetsbare gebieden af, waaraan bijvoorbeeld drinkwater onttrokken wordt, of waar de natuur sterk afhankelijk is van de grondwaterkwaliteit. Hier gelden geen algemene regels en zal de vergunningverlener ter plekke een locatiespecifieke beoordeling moeten opstellen. De commissie reikt hiervoor richtlijnen aan.
Brugfunctie
Rob Comans, naast zijn functie bij ECN ook deeltijdhoogleraar Milieugeochemie aan de Wageningen Universiteit, heeft plezier beleefd aan het succesvolle adviesproject. “De hoogleraarspositie in Wageningen is vooral van belang omdat ik daar de allerlaatste geochemische kennis help ontwikkelen en ook zelf op kan doen. Bij ECN zorg ik ervoor dat die kennis zo snel mogelijk een weg vindt naar oplossingen voor maatschappelijke problemen. Mijn rol in deze commissie is een mooi voorbeeld van die brugfunctie. Aan de ene kant heb je te maken met algemene beleidsinstrumenten, aan de andere kant met zandwinputten waar per locatie heel specifieke geochemische condities gelden. Je moet dan diep graven om de fundamentele processen bloot te leggen en met een oplossing te komen die toch beleidsmatig aanvaardbaar is. Dat is precies wat ik interessant vind en waar ECN goed in is. En hier is het prima gelukt.”
Tekst: Mariëtte Huisjes
Contact
Rob Comans
ECN Biomassa, Kolen & Milieuonderzoek
Tel.: 022 456 4218
E-mail: Rob Comans
Informatie
Het uitgebreide rapport van de deskundigencommissie kunt u hier inzien of downloaden.
Dit ECN-Nieuwsbrief-artikel mag zonder toestemming worden gebruikt voor publicatie, mits verwezen wordt naar de bron: www.ecn.nl/nl/nieuws/newsletter-nl/