ECN: Fijn stof getackeld

ECN

ECN: Nederland EU-koploper bij uitstoot 'fijn stof'

Blootstelling aan diverse milieufactoren, zoals luchtvervuiling en geluid, kan onze gezondheid ernstig beïnvloeden. In 2000 werd naar schatting 2 tot 5 procent van de ziektelast in Nederland veroorzaakt door o.a. korte-termijn blootstelling aan fijn stof en ozon. Nederland behoort in Europa tot de koplopers op het gebied van uitstoot aan 'fijn stof' per oppervlakte-eenheid. ECN werkt mee aan het in kaart brengen van kennis, bronnen en beleid.

Het fijnstof-onderzoeksprogramma "Beleidsgeoriënteerd Onderzoeksprogramma Particulate matter", kortweg BOP, is afgelopen februari van start gegaan. De onderzoeksinstituten Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN), TNO, RIVM en Milieu en Natuur Planbureau hebben gezamenlijk, in overleg met het ministerie van VROM, het programma opgezet. Dezelfde instituten verzorgen ook de uitvoering van BOP.

Het voornaamste doel van het programma is het verminderen van de onzekerheid rondom de verspreiding van fijn stof. De gezondheidseffecten vallen niet binnen het onderzoek. Het programma richt zich naast PM10 (stofdeeltjes kleiner dan 10 µm) ook op PM2.5 met een focus op situaties waarin vastgelegde grenswaarden worden overschreden.

ECN-medewerker Ernie Weijers, projectleider BOP: "Wij onderzoeken bij het Energieonderzoek Centrum Nederland al geruime tijd de milieueffecten van fijn stof. Daarom is ECN door het ministerie als samenwerkingspartner gekozen binnen BOP. BOP is verdeeld in 3 werkpakketten te weten Metingen, Emissies en Modellen. ECN is verantwoordelijk voor het pakket Metingen. De doelstelling hiervan is het reduceren van de meetonzekerheid met betrekking tot overschrijding van grenswaarden. De drie genoemde werkpakketten zijn op elkaar afgestemd, het resultaat van het ene pakket wordt gebruikt voor validatie in het andere etc."

In 2005 zijn Europese luchtkwaliteitgrenswaarden voor fijn stof (PM10) in werking getreden. In Nederland ontstond toen de situatie waarbij enerzijds deze regelgeving leidt tot bijvoorbeeld het stopzetten van bouwplannen bij overschrijdingen van grenswaarden, terwijl anderzijds de vaststelling van de overschrijdingen en andere aspecten van het fijnstof-dossier erg onzeker werden. Deze onzekerheden bemoeilijkten de verdere ontwikkeling en uitvoering van een adequaat fijnstof-beleid. In 2005 hebben het Milieu en Natuur Planbureau en het RIVM de feiten over fijn stof gepresenteerd in de publicatie “Fijn stof nader bekeken”. Dit document was het uitgangspunt bij het opstellen van BOP.

Overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor PM10 vinden nu voornamelijk plaats in de stedelijke omgeving of in de buurt van snelwegen en plekken met hoge locale emissies zoals industrieterreinen. De samenstelling van fijn stof en de bijdragen van verschillende antropogene - door de mens veroorzaakte - en natuurlijke bronnen, zijn nog slecht bekend. Ook is het zicht op de ruimtelijke verschillen in fijnstof-concentraties beperkt. Het gaat hierbij om de ruimtelijke variabiliteit van fijn stof in de stedelijke omgeving, en de verschillen ten opzichte van concentraties in het landelijk gebied.

Binnen de EU worden nieuwe beleidsrichtlijnen voorbereid, met name voor het vaststellen van grenswaarden voor fijn stof PM2.5 (stofdeeltjes kleiner dan 2,5 µm). De kennis over PM2.5 is beperkt, desondanks moeten in 2008 voorbereidende werkzaamheden starten om aan de richtlijnen te kunnen voldoen, vooral op het gebied van metingen. Aan het BOP onderzoek is derhalve een apart project toegevoegd "Fijnstof-beleid PM2.5"

ECN-onderzoeker Harry ten Brink verzorgt het bovengenoemde onderdeel. "ECN voert een inventarisatie van de stand van zaken rondom PM2.5 uit. Om te voorkomen dat bij het inwerkingtreden van de richtlijn, onaangename verrassingen voorkomen, is het zaak politiek en publiek voor te bereiden op de nieuwe situatie en de nieuwe parameter in te leiden.

Er is behoefte aan een overzicht van de aanwezige kennis en een bundeling daarvan in Nederland, en het opdoen van noodzakelijke nieuwe kennis om de mogelijkheid te hebben vroegtijdig een beleidsstrategie te kunnen maken voor deze nieuwe parameter, of ze op tijd te kunnen aanpassen. Binnen "Project fijnstof-beleid PM2.5" onderzoeken wij kort gezegd, het niveau van de huidige kennis over PM2.5, de gaten binnen onze know how, de in te passen meetmethodieken, het gebrek aan benodigde meetgegevens, beleidsimplicaties, etc."

Weijers: "De resultaten van BOP zullen worden gepubliceerd in de vorm van een aparte BOP-rapportenserie. Aan het einde van het project wordt een samenvatting voor beleidsmakers gemaakt. Het eerste rapport, over PM2.5, staat gepland voor najaar 2007. Daarnaast zullen de resultaten ook zoveel mogelijk wetenschappelijk worden geborgd door publicatie in peer reviewed tijdschriften."

De onderzoeksgroep Luchtkwaliteit en Klimaatverandering van ECN houdt zich met name bezig met het meten, modelleren en evalueren van de uitwisseling van broeikasgassen, verzurende componenten en fijn stof in de atmosfeer. Er is een uitgebreide expertise in het ontwikkelen van innovatieve meettechnieken op het gebied van luchtkwaliteit. Voorbeelden van dergelijke ECN-apparatuur zijn de roetmonitor en het MARGA-systeem, beide apparaten zullen ingezet worden in BOP.

Weijers legt uit: "De roetmonitor meet de roetconcentratie in de lucht; roet is een verdacht bestanddeel in het fijn stof en vooral afkomstig van dieselverkeer. De MARGA meet weer andere chemische componenten in het fijn stof. Dit is nodig om erachter te komen wat de samenstelling is van het fijn stof, welke van de bestanddelen mogelijk nadelig zijn voor de gezondheid en welke bronnen (verkeer, huishouden, industrie) de aanwezigheid van de stofdeeltjes in de lucht veroorzaken. Uniek van deze apparatuur is o.a. dat deze metingen met een hoge tijdsresolutie plaatsvinden (in de orde van 10 minuten); doorgaans gebeuren stofmetingen met filters en dan is de meettijd veel langer (meer dan een dag). Door de hogere resolutie kan veel sneller eerder een verband gelegd worden met de typische emissiebronnen."

ECN is ook betrokken bij modellering, een voorbeeld is het Voorspellingssysteem Luchtkwaliteit Wegtracé's van Rijkswaterstaat (het VLW model). Dit model, waarvan beheer en huidige ontwikkeling door ECN worden gedaan, berekent de (jaargemiddelde) concentraties voor PM10 en NO2 langs snelwegen. Hiermee worden eventuele knelpunten voor de luchtkwaliteit zichtbaar, en kunnen maatregelen doorgerekend worden.

Informatie:
Meer informatie over het onderzoeksprogramma Fijn Stof bij ECN kunt u vinden op de website.

Contact:
Ernie Weijers
ECN Biomassa, Kolen en Milieuonderzoek
Tel. 0224 - 56 4607
weijers@remove-this-part-ecn.nl

Tell a friend

Nieuws

Consortium onderzoekt ‘stopcontact’ windparken Noordzee

07.01.2013 -

Een consortium van negen partijen doet de komende vier jaar onderzoek naar verlaging van...

>>

ECN presenteert state of the art n-type PV-cellen op de grootste markt ter wereld: China.

02.01.2013 -

ECN is voorloper op het gebied van zonne-energietechnologie en promoot samen met...

>>

PV PARITY Project: Europees consortium benadrukt de concurrentiekracht van zonnestroom in 11 EU-landen

03.12.2012 -

Het moment dat zelfopgewekte zonnestroom (PV) voor consumenten en bedrijven kan...

>>

ECN Extra

ECN, P.O. Box 1, 1755 ZG Petten, tel +31 224 56 4949  |  Disclaimer  |  Privacy Statement