De Nederlandse overheid kan waarschijnlijk een paar honderd miljoen euro subsidie per jaar besparen en toch haar doelstellingen voor duurzame energie halen. Dat stelt ECN-onderzoeker Jaap Jansen. In opdracht van de Commissie Heroverweging Energie en Klimaat, die op zoek was naar bezuinigingsmogelijkheden, vergeleek de econoom, samen met Ayla Uslu en Paul Lako, de vier zogeheten flexibiliteitsmechanismen van de Europese richtlijn voor hernieuwbare energie. Eén daarvan springt eruit.
Vorig jaar heeft de Europese Commissie de richtlijn Hernieuwbare energie aangenomen. Deze stelt dat in alle lidstaten in 2020 een bepaald percentage van het totale eindgebruik aan energie uit hernieuwbare bronnen moet komen. Voor Nederland is dat 14 procent. Dat is ambitieus, gezien de beperkte mogelijkheden die ons volle land biedt. Als we de volle 14 procent reeds in 2020 van eigen grondgebied zouden moeten halen, zit daar ook relatief dure hernieuwbare energie bij. De rekening voor die extra kosten belandt bij de eindgebruiker en/of bij de belastingbetaler.
Flexibiliteitsmechanismen
Gelukkig biedt de Europese Commissie een opening om duurzame energie daar vandaan te halen waar deze het goedkoopst te produceren is. Of eigenlijk vier openingen: de vier zogeheten flexibiliteitsmechanismen die de richtlijn flexibeler en dus beter uitvoerbaar moeten maken. ECN werd gevraagd om uit te zoeken hoe Nederland deze instrumenten kan gebruiken om wel zijn duurzame energiedoelstelling te halen, maar tegen lagere kosten.
Goocheltruc
Het eerste flexibiliteitsmechanisme is het instrument van de statistische overdrachten. “Eigenlijk vooral een juridische goocheltruc”, omschrijft Jaap Jansen het. Landen voor wie het relatief makkelijk is om meer duurzame energie op te wekken dan hun doelstelling voorschrijft, verkopen hun overschot aan lidstaten voor wie het juist lastig is om de doelstelling te halen. Jansen verwacht hier voorlopig niet veel van. Maar je weet het nooit. De Nederlandse overheid zou wat Jansen betreft dit mechanisme kunnen testen door een tender te organiseren.
Gezamenlijke projecten
Als tweede en derde instrument worden gezamenlijke projecten voorgesteld om centrales op te zetten die duurzame energie benutten. Dat kan een samenwerking tussen twee EU-lidstaten zijn, of tussen een EU-land en een niet-lidstaat. Een deel van de in het gastland relatief goedkoop gewonnen energie wordt dan bijgeschreven op het conto van het betalende land. ‘Nederland moet die optie zeker verkennen’, meent Jansen. “Wel moet er voor elk project stevig worden onderhandeld tussen veel publieke en private partijen over hoe de lusten en lasten worden verdeeld.”
Verreweg het meest kansrijk echter vindt Jaap Jansen het vierde flexibiliteitsinstrument: gezamenlijke steunsystemen. “Het is eigenlijk vreemd,” meent hij, “dat landen binnen de EU het gebruik van hun steunkaders – en daardoor in feite hun markt – mogen afschermen voor buitenlandse aanbieders van duurzame energie. Voor alle andere producten is er een open markt, maar voor duurzame energie heeft elk land zijn eigen stimuleringssysteem. De meeste landen zien grensoverschrijdende handel als een bedreiging voor hun steunkader.”

Volgens EU-richtlijnen heeft Nederland duidelijk een tekort aan duurzame energie (zwarte deel), terwijl Polen duidelijk een teveel (schuine lijnen) aan duurzame energie heeft. Dat mag onderling worden uitgewisseld (Bron: Resch et al, 2008).
Vrij handelen
Het vierde flexibiliteitsinstrument zet een stap in de richting van een Europese markt voor duurzame energie. Twee of meer landen spreken af om de regels en instrumenten waarmee zij duurzame energie stimuleren op elkaar af te stemmen. Dat schept de mogelijkheid om onderling vrij te handelen. Concreet beveelt Jansen de Nederlandse overheid aan om aansluiting te zoeken bij Zweden. Dat land legt een verplichting op aan elektriciteitsleveranciers om een deel van de stroom die ze verkopen te verduurzamen: de zogeheten Renewable Portfolio Standard (RPS). Hierbij hoort een certificatensysteem voor stroom uit hernieuwbare energie.
Welvaartswinst
Sluit Nederland een pact met Zweden voor een gezamenlijk verplichtingsysteem in combinatie met certificaten, dan zou bijvoorbeeld extra stroom uit biomassa of windenergie op land in het dunbevolkte Zweden kunnen worden geproduceerd. Nederlandse leveranciers zouden dan tegen een aantrekkelijke prijs de Zweedse ´Elcert´-certificaten die op deze productie betrekking hebben kunnen kopen om de duurzame herkomst van geleverde stroom te bewijzen. Wellicht kunnen de afspraken worden uitgebreid met Noorwegen. Dat land is nu al in onderhandeling met Zweden over de integratie van steunsystemen. Voor Nederland heeft deze opzet het voordeel dat het aan goedkopere duurzame energie kan komen. Voor de Scandinavische consumenten gaat weliswaar de energieprijs iets omhoog, maar daar staat tegenover dat de export van duurzame energie hun economie een flinke impuls geeft. Elk deelnemend land kan zo welvaartswinst boeken.
Onverhoopte winst voorkomen
Wel moeten we een gezamenlijk steunsysteem blijven combineren met de in Nederland bestaande subsidiëring van duurzame energie. Dat stelt Jaap Jansen uitdrukkelijk als voorwaarde. Door de verschillende vormen van duurzame energie in Nederland concurrerend te maken wil hij onder meer het Nederlandse innovatiebeleid mede gestalte geven. Ook moet de combinatie ervoor zorgen dat het financiële voordeel van de gunstig ingekochte energie bij de belastingbetaler/eindgebruiker terechtkomt. “Zij krijgen nu enkel de extra kosten die gemoeid zijn met de duurzame productie als subsidie uitgekeerd. Dat moet zo blijven. Die extra kosten zijn gebaseerd op de gemiddelde kosten van Nederlandse duurzame energie. Die liggen dan lager, dus op die manier kan Nederland goedkoper zijn verplichte doelstelling halen,” aldus Jansen. Bovendien hebben dan de producenten van duurzame energie door opbrengsten uit verkoop van certificaten veel minder aanvullende subsidie nodig. Dus kan het totale subsidiebedrag aanzienlijk omlaag.
Geharmoniseerd Europees steunkader
Een gezamenlijk steunsysteem in combinatie met de reeds bestaande subsidie biedt van alle flexibiliteitsmechanismen verreweg het grootste potentieel om de lasten voor het halen van de duurzame energienorm voor de Nederlandse samenleving op korte termijn te verlagen. Jaap Jansen beveelt zijn opdrachtgever warm aan hier werk van te maken. Weliswaar zal het tijd en inzet vergen om de betrokken landen volledig op één lijn te krijgen; dat is de moeite waard omdat als het lukt een geharmoniseerd Europees steunkader een stuk dichterbij is gekomen. En dat kan op den duur voor een land met beperkte bronnen voor hernieuwbare energie alleen maar voordelig zijn.
Contact
Jaap Jansen
ECN Beleidsstudies
Tel. 022 456 4437
E-mail: Jaap Jansen
Tekst: Mariette Huisjes
Info
Lees de publicatie What is the scope for the Dutch government to use the flexible mechanisms of the Renewables Directive cost-effectively als pdf.
Dit ECN-Nieuwsbrief-artikel mag zonder toestemming worden gebruikt voor publicatie, mits verwezen wordt naar de bron: www.ecn.nl/nl/nieuws/newsletter-nl/