| donderdag 10 januari 2002 10:55 |    |
Stabilisatie uitstoot broeikasgassen in komende 10 jaar
Uit onderzoek van ECN en RIVM blijkt dat de uitstoot van broeikasgassen stabiliseert in de komende 10 jaar; het gebruik van energie stijgt minder dan verwacht.
Het Milieuplanbureau van het RIVM en ECN hebben een nieuwe raming gemaakt van de Nederlandse broeikasgasemissies tot 2010. Hieruit blijkt dat de uitstoot van broeikasgassen de komende 10 jaar zal stabiliseren. Het energiegebruik stijgt minder dan eerder verwacht doordat een aantal maatschappelijke trends nu anders wordt ingeschat dan enkele jaren geleden. Ook is de monitoring van de emissies verbeterd.
De emissie van het belangrijkste broeikasgas CO2 blijft in de komende 10 jaar licht doorgroeien met ongeveer 0,6% per jaar bij een economische groei van ca. 2.5% per jaar. De emissie van de overige broeikasgassen (methaan, lachgas en fluorhoudende gassen) daalt door technische maatregelen en effectief beleid met in totaal bijna 20%. De uitstoot van alle broeikasgassen samen wordt nu geraamd op 225 miljoen ton (Mton) CO2-equivalent in het jaar 2010.
Klimaatbeleid
Nederland heeft in het kader van de Kyoto-afspraken als emissiedoelstelling een daling van 6% ten opzichte van de broeikasgasemissies in 1990, hetgeen neer komt op 199 Mton in 2010. Om dit Kyoto-doel te halen was in de Uitvoeringsnota Klimaatbeleid voor 2010 een benodigde emissiereductie (beleidsopgave) geïdentificeerd van 50 Mton ten opzichte van de toen verwachte groei. Volgens de nu geactualiseerde Referentieraming komt deze oorspronkelijke beleidsopgave voor 2010 lager uit, namelijk op 40 Mton. Van het tot nu toe vastgestelde klimaatbeleid, dat onder andere is gericht op energiebesparing en duurzame energie wordt een emissiereductie van 14 Mton verwacht. De resterende reductie om het Kyoto-doel te halen bedraagt dan 26 Mton.
De vermindering van de benodigde emissiereductie komt ten dele door een lagere verwachte economische groei, een minder energie-intensieve economische structuur en de gestegen import van elektriciteit. Daarnaast zijn de emissies van niet-CO2 broeikasgassen naar beneden bijgesteld op grond van de resultaten van een verbeterde monitoring in de afgelopen jaren.
De resterende emissiereductie kan ook voor een deel in het buitenland plaats vinden. In de Uitvoeringsnota Klimaatbeleid (1999) werd beoogd om de helft van de beleidsopgave in het buitenland te realiseren. In deze referentieraming is niet nader gekeken naar de mogelijkheden voor Nederland om in het buitenland emissiereducties te realiseren.
De referentieraming schetst rond de centrale projectie een bandbreedte van ±14 Mton CO2-equivalent in 2010. De benodigde resterende reductie om het Kyoto-doel te halen ligt dan tussen 12 en 40 Mton. De bandbreedte wordt voor het grootste deel veroorzaakt door onzekere maatschappelijke ontwikkelingen, zoals ontwikkeling van de gasprijs, de import van elektriciteit en groei of krimp bij energie-intensieve sectoren zoals raffinaderijen en chemie. De bandbreedte impliceert dat er een gerede kans is dat de broeikasgasemissie in 2010 lager of hoger uitvalt dan de "centrale" raming.
De geraamde CO2-emissie in 2010 is ondanks de 'meevallers' in de genoemde exogene ontwikkelingen hoger dan waar de Uitvoeringsnota Klimaatbeleid op rekende. Een belangrijke reden hiervoor is dat een deel van het extra klimaatbeleid nog niet is ingevoerd. Het betreft onder andere het kolenconvenant en de kilometerheffing ter vervanging van rekeningrijden. Daarnaast is het effect van de energiebesparingsmaatregelen door de aangepaste vormgeving kleiner dan in de nota werd ingeschat. Het CO2-reductie-effect van de Klimaatnota wordt in de Referentieraming geschat op 8 Mton. Dit is ongeveer de helft van het oorspronkelijk beoogde effect. Momenteel wordt onderzocht hoe groot het reductie-effect is van nog niet ingevoerde klimaatmaatregelen. De orde van grootte is waarschijnlijk enkele Mtonnen extra reductie.
Energiegebruik, energiebesparing, energiemarkten en duurzame energie
De gemiddelde groei van het energiegebruik is fors lager dan waarmee eerder rekening werd gehouden. De sectoren met het grootste energiegebruik met name de energiebedrijven, de industrie en het verkeer groeien het hardst. Bij huishoudens blijft het energiegebruik ongeveer constant. In de glastuinbouw neemt het energiegebruik naar verwachting iets af door hogere aardgaskosten. Het besparingstempo voor Nederland als geheel blijft op hetzelfde niveau (1,2%/jaar) ten opzichte van de historische besparingscijfers over de periode 1990-2000. Het besparingstempo blijft hiermee achter bij de doelstelling, die, op basis van de berekeningswijze van het nieuwe Protocol Energiebesparing, 1,8% per jaar bedraagt.
Op de aardgasmarkt zal door de liberalisering meer "Gas-to-gas" competition plaatsvinden waardoor de gasprijzen licht kunnen dalen. Verwacht wordt dat grootverbruikers daarvan het meeste profijt zullen hebben. Voor de glastuinders zullen de gaskosten stijgen. De elektriciteitsproductie-prijzen in Nederland zullen hoog zijn in vergelijking met enkele omringende landen. De relatief grote netto import van elektriciteit zal hierdoor mogelijk nog iets toenemen. Dit komt door structurele verschillen met elektriciteitsparken in het buitenland en doordat het waarschijnlijk is dat op de Nederlandse elektriciteitsmarkt ruimte zal zijn voor strategisch gedrag van producenten.
De bijdrage van duurzame energie (inclusief import van elektriciteit uit duurzame bronnen) zal sterk toenemen van 1,5% van het totaal energiegebruik in 2000 tot 3,5% in 2010. Dit is het gevolg van de stimulering van vraag en aanbod van duurzame energie. Het aandeel blijft wel achter bij de doelstelling van 5% duurzame energie voor 2010. Grote bijdragen worden verwacht van bio-energie, windenergie en import van elektriciteit uit duurzame bronnen.
Tenslotte
Bovenstaande resultaten zijn gebaseerd op drie studies die op verzoek van de ministeries van VROM en EZ zijn uitgevoerd. De resultaten zijn van belang voor de tussentijdse ijking van het Klimaatbeleid in 2002 zoals toegezegd in de Uitvoeringsnota Klimaatbeleid. De ramingen zijn uitgevoerd in samenwerking tussen ECN en RIVM en zijn gebaseerd op de huidige inzichten in de economische groei, wijzigingen in de economische structuur, de import van elektriciteit en de verwachte effecten van beleid. Er is uitgegaan van het optimistische groeiscenario van de recent uitgebrachte economische verkenningen voor de komende kabinetsperiode.
Informatie:
- Voor meer informatie over de resultaten m.b.t. de
Referentieraming broeikasgasemissies 2001-2010 en het klimaat kan
worden verkregen bij
RIVM Persvoorlichting,
Marieke Timmer,
tel: 030-2744049 - Voor meer informatie omtrent vragen over Energie en CO2 kan contact worden opgenomen met
Conny Ruitenburg
ECN persvoorlichting
telefoon 0224 56 4050
e-mail: ruitenburg@remove-this-part-ecn.nl
Zie ook: