ECN: Subsidiebeleid

ECN

Subsidie als beleidsinstrument voor duurzame elektriciteit

Op veel Duitse daken ligt een zonnepaneel, dankzij een zwaar subsidiebeleid van de overheid.

Shell verruilt windenergie voor biomassa

Als het subsidiebeleid voor duurzame energie ter sprake komt, verwijzen de critici vaak naar Duitsland. Daar wordt de productie van duurzame elektriciteit volledig gesubsidieerd, en dat voor vijftien tot 20 jaar. Klinkt als het walhalla voor investeerders, die zo heel exact hun risico kunnen bepalen. “Maar je hoort nu dat de Duitse subsidie kraakt onder zijn succes,” stelt Sander Lensink van ECN Beleidsstudies. Hij deed vorig jaar een vergelijkend onderzoek naar de wijze van stimulering van hernieuwbare elektriciteit in Spanje, Duitsland en Nederland.

De subsidie in Duitsland is gericht op de productie van vooral wind- en zonne-energie. De exploitant van elke windturbine en zonnepaneel is er dus van verzekerd dat hij een vaste kilowattuurprijs krijgt voor wat zijn product levert. Anders gezegd: de Duitse overheid geeft 100 procent subsidie op elke kilowattuur die duurzaam is opgewekt. Daarbij maakt het niet uit hoeveel kilowatt groene stroom wordt opgewekt, er is geen bovengrens. Hoe meer hoe liever is het devies.
Nederland werkt met een gedeeltelijke subsidiëring van de productie. De subsidie is gebaseerd op het afdekken van de onrendabele top. De subsidie is gering voor de ondernemer, en wat hij verder krijgt uitbetaald van de netbeheerder voor zijn groene stroom hangt af van de marktprijs. Hij moet dus concurreren met de grijze stroom uit de overige centrales. Nu Duitsland zo’n 13 procent van de stroom op groene wijze opwekt tegen Nederland 8 procent, lijkt de subsidieregeling van Duitsland beter. Maar is dat ook zo.

Duitsland doet aan industriepolitiek
De tijd zal het leren. Sander Lensink van ECN-Beleidsstudies heeft in opdracht van het ministerie van Economische Zaken een studie gedaan naar de subsidieregelingen in Duitsland, Spanje en Nederland. Bewust gekozen landen, want Nederland werkt met een premieregeling, Duitsland met een tariefregeling en Spanje kent een mengvorm van beide regelingen waarbij de aanvrager mag kiezen. De keuze van de regeling per land is deels te verklaren door het politieke klimaat. Lensink: “Duitsland werkt met een industriepolitiek, waarbij de subsidieregeling mede ten doel heeft een industrie op te bouwen die windturbines en zonnepanelen ontwikkelt en bouwt. Nou, dat werkt want er werken zo’n 70.000 mensen in deze bedrijfstak.” Nederland is wars van industriepolitiek en voert een marktgerichte energiepolitiek. Het gaat Nederland om de groene stroom, en niet om de groene banen. Dus is de hoeveelheid mensen dat in de duurzame energie-industrie werkt een matig cijfer om succes te meten. En in Spanje koos men aanvankelijk massaal voor de tariefregeling. Na een ingreep van de overheid – binnen een paar jaar was de doelstelling van zonne-energie voor 2012 al gehaald – is de keuze genuanceerder.
Hoewel de aard van de subsidieregeling dus verschilt, zijn er meer overeenkomsten dan verschillen. Opvallend is bijvoorbeeld dat windenergie op land in alle drie de landen ongeveer een gelijk aandeel heeft in de productie van groene stroom (44-45 procent). Lensink verklaart dit door te wijzen op de verhouding geleverde kilowattuur per geïnvesteerde euro. “Die ligt overal in Europa voor wind flink hoger dan voor zon. Dan kan je met wind meer meters maken dan met zon.” Dat Duitsland zo hoog scoort op het gebied van zonne-energie, heeft te maken met de hoge vergoeding die producenten krijgen: € 0,52 / kWh zonnestroom. Spanje en Duitsland zetten beide hoog in op het scheppen van werkgelegenheid in deze sector en zijn daar ook succesvol in.
De geografische ligging is een factor die bepaalt op welke manier de drie landen groene elektriciteit opwekken. In het bergachtige Spanje (48%) en Duitsland (46%) is waterkracht goed vertegenwoordigd vergeleken met het vlakke Nederland (2 %). En dat in Nederland biomassa zo’n groot percentage (48%) voor zijn rekening neemt (Spanje 5%, Duitsland 16%), komt natuurlijk door onze sterk op landbouw en veeteelt gebaseerde economie. “Nee”, corrigeert Lensink, “dat komt vooral doordat in Duitsland de bij- en meestook van biomassa niet in aanmerking komt voor subsidie. En in Spanje zit biomassa pas sinds 2007 goed in de subsidieregeling.”

Duitse subsidiepot is bodemloos 
Behalve industriepolitiek en geografische ligging speelt bij subsidies voor duurzame stroomopwekking ook de eindigheid van de subsidiepot een grote rol. Het tariefsysteem in Duitsland kent bijvoorbeeld geen bovengrens, iedereen mag meedoen. De netbeheerders zijn verplicht elke duurzaam opgewekte kilowattuur af te nemen. Elke stroomgebruiker betaalt een kleine opslag, er is geen variatie als gevolg van politiek gebakkelei. Dat is paradijselijk voor investeerders, maar als overheid kun je op geen enkele manier sturen. Lensink: “Je vangt hier en daar al de eerste signalen op dat het in Duitsland uit de hand loopt.”
In Nederland loopt de subsidiëring via potjes van de rijksbegroting. De overheid bepaalt hoeveel geld beschikbaar is voor wind, zon, biomassa en dergelijke, daaraan ligt een politieke keuze ten grondslag. Het gevolg is dat de overheid stimuleert dat elke energietechnologie wordt ontwikkeld. Dit beginsel wordt nog versterkt door het fiscale beleid en een bijzonder leningenstelsel. Lensink: “Van de onderzochte drie landen kent alleen Nederland een fiscale stimulering en de mogelijkheid om tegen aantrekkelijke condities een groene lening af te sluiten. Daar staat tegenover dat de Nederlandse politiek, meer dan Duitsland, plots een subsidieregeling een jaar stopt en er daarna mee verder gaat. Verder is het aan de ondernemer om zich een plaats te verwerven in de wereld van de stroomproducenten.”
Van die ondernemers trekt Shell zich nu dus terug uit windenergie. De rentabiliteit zou te weinig zijn en dat had volgens berichten in de pers weer te maken met een karig subsidiebeleid. Lensink haalt zijn schouders op over de ophef van Shell’s actie: “Het is een bedrijf dat voortdurend een vinger aan de pols houdt op het gebied van energietechnologie. Eerst zat Shell in zonne-energie, daarna in windenergie en nu stappen ze in biomassa. Ik vind het niet meer dan normaal dat het bedrijf op strategische gronden zijn licht opsteekt in zo’n sector. We zijn immers bezig met een transitie naar nieuwe energietechnologieën. En strikt genomen ligt biomassa nog het dichtst bij hun aloude core business, want daarvan kun je motorbrandstoffen en biogas maken.”

Contact
Sander Lensink
ECN Beleidsstudies
Tel.:022 456 8129
E-mail: Sander Lensink

Info
Klik hier om het volledige rapport in te zien of te downloaden

Dit ECN-Nieuwsbrief-artikel mag zonder toestemming worden gebruikt voor publicatie, mits verwezen wordt naar de bron: www.ecn.nl/nl/nieuws/newsletter-nl/

Tell a friend

News

Consortium investigates ‘plug socket’ North Sea wind farms

07.01.2013 -

Over the next four years, a consortium of nine parties will be investigating how to...

>>

ECN presents state of the art n-type PV cells in world’s largest market China

02.01.2013 -

ECN is front runner in the field of solar energy technology and together with the Dutch...

>>

MWT: On the eve of mass production

03.12.2012 -

4th MWT Workshop held in Amsterdam MWT (Metal Wrap Through) technology is ready for the...

>>

ECN Extra

ECN, P.O. Box 1, 1755 ZG Petten, tel +31 224 56 4949  |  Disclaimer  |  Privacy Statement