|
Het lijkt erop dat Nederland in de jaren 1990-1999 meer energie heeft
bespaard dan in de omringende landen. De ‘finale energie-intensiteit’,
een maat voor de energieproductiviteit (de energieproductie in verhouding
tot het Bruto Binnenlands Product), daalde met 14 %. Nederland blijkt
hiermee de snelste daler, vooral in de periode na 1995. Ook Duitsland
en het Verenigd Koninkrijk laten een forse daling zien; België en Frankrijk
daarentegen nauwelijks. Hoewel Nederland dit in belangrijke mate dankt
aan de sterke economische groei, neemt de economie toch sneller toe
dan de energieproductie.
Vergelijking
Dit staat in een notitie van ECN, die voor de onderbouwing van het Energierapport
is opgesteld. Met het Energierapport wil het Ministerie van Economische
Zaken aangeven hoeveel energie Nederland heeft bespaard. Het ministerie
wil echter
ook weten hoe de energiebesparing zich verhoudt tot landen om ons heen.
Hiervoor hebben onderzoekers van ECN een vergelijking gemaakt van besparingsindicatoren
op macroniveau. De geconstateerde trends hebben ze verder onderbouwd
door te kijken naar het verloop van een belangrijke indicator voor de
sectoren industrie, huishoudens en transport. Op basis van deze aanpak
en het beperkte aantal gegevens mogen echter geen harde conclusies worden
getrokken. Het is namelijk binnen het bestek van de notitie niet mogelijk
om de efficiencyverbetering toe te schrijven aan energiebesparing of
(gedeeltelijk) aan structuureffecten.
Van 1990 tot 1999 daalde de energie-intensiteit van
Nederland sneller dan in de omringende landen
Duitse eenwording
Duitsland blijkt als enige erin geslaagd te zijn om de ontwikkeling
van het BBP en energievraag te ontkoppelen: een stabilisatie van de
energievraag bij voortgaande economische groei. Dit valt grotendeels
te verklaren uit de herstructurering van de industrie na de Duitse eenwording.
In de andere beschouwde landen, waaronder Nederland, groeit de energievraag
met 10 tot 17 %. Hierbij heeft Nederland wel de hoogste economische
groei gehad, waardoor een grotere ontkoppeling heeft plaatsgevonden
dan in de andere landen. Dit klopt met de veronderstelling dat economische
groei tot een hoger vervangingstempo leidt, en daarmee voor meer autonome
energiebesparing zorgt.
Sectoren
De relatieve groei van de dienstensector heeft in alle beschouwde landen
geleid tot een wat minder energie-intensieve economische structuur.
De trends in de sector huishoudens lijken niet te wijzen op een snelle
daling van het energieverbruik. Het gemiddelde stroomverbruik per woning
vertoont in de meeste landen, behalve Duitsland, een stijging. In Nederland,
Frankrijk en België is de stijging met 1,5 tot 2 % het grootst. De transportsector
is geanalyseerd met een indeling in personen- en vrachtvervoer. Voor
het gemiddeld energieverbruik voor personenvervoer geldt wel dat Nederland
als enige land een licht stijgende trend laat zien van gemiddeld 0,2
% per jaar. Duitsland is de grootste daler met 1,1 % gemiddeld per jaar.
Verder is Nederland van de beschouwde landen het enige land waar ook
de intensiteit van het goederentransport stijgt met gemiddeld 1,3 %
per jaar. Waarschijnlijk heeft er in Nederland een verschuiving plaatsgevonden
naar meer energieintensieve manieren van goederenvervoer, zoals vrachtwagens.
Meer informatie:
ECN-rapport ‘Enkele korte analyses voor het Energierapport 2002’ door
Remko Ybema, Martine Uyterlinde Wim van Arkel en Paul Lako van ECN Beleidsstudies.
Het rapport is in te zien via http://www.ecn.nl/library/reports/2002/i02006.html
|