Verklaring van Rotterdam
DE-versnelling in de gebouwde omgeving: het stille
potentieel
Oproep
De organisaties
- Duurzame Energie Federatie (DE federatie),
- Projectbureau Duurzame Energie (PDE),
- Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN), en
- TNO-Bouw
zijn van oordeel dat het potentieel van duurzame energie in
de gebouwde omgeving onvoldoende wordt onderkend en benut. Daardoor
wordt meer fossiele energie verbrand en worden meer broeikasgassen geproduceerd
dan noodzakelijk zou zijn.
De organisaties doen hierbij een oproep aan alle betrokken partijen
om dit potentieel te realiseren. Dit vraagt een consistent beleid, het
wegnemen van belemmeringen, het (door)ontwikkelen van geschikte (beleids)instrumenten
en het beschikbaar maken van de benodigde technologie.
De ondertekenaars roepen concreet op tot:
- Stapsgewijze aanscherping van de energieprestatienorm (EPN)
voor
nieuwe woningen en utiliteitsbouw. Voor woningen is een EPC van 0,8
nu reeds realistisch en direct toepasbaar. Via enkele tussenstappen
is in 2020 een verlaging tot 0,3 mogelijk. Bij een goede aanpak kan
een verlaagde EPC bijdragen aan een verhoogde woonkwaliteit.
- Handhaving, verdere toespitsing en optimalisering van gerichte
ondersteuning
van duurzame energie maatregelen via de energiepremieregeling (EPR).
- Uitbouw van het energieprestatie-advies (EPA) tot een instrument
dat minder vrijblijvend is. Introductie van een Energie Prestatie Indexering
op basis waarvan fiscale stimulerings- en andere maatregelen kunnen
worden getroffen.
- Prioritering en uitbreiding van onderzoek en ontwikkeling gericht
op prijsreductie en verdere ontwikkeling van duurzame energie concepten
in de woningbouw. Dit is nodig om grootschalige marktintroductie van
duurzame energie concepten in de gebouwde omgeving mogelijk te maken.
Inleiding
De Nederlandse overheid heeft als beleidsdoelstelling geformuleerd:
10% aandeel duurzame energie in onze totale energievoorziening in 2020.
Deze doelstelling werd bij de vaststelling ervan in 1995 "ambitieus,
doch haalbaar" genoemd. Helaas wordt het gewenste niveau nog lang niet
gehaald. In 2000 bedroeg het aandeel duurzame energie pas 1,2%.
Het is te vroeg voor wanhoop. Belangrijke mogelijkheden voor gebruik
van duurzame energie worden nog lang niet volledig benut. Daarin moet
snel verandering komen. Gelukkig is dit mogelijk.
In de gebouwde omgeving liggen grote kansen voor toepassing van thermische
zonne-energie, warmtepompen en zonnestroom. Dat is geen nieuws, maar
een "herontdekking" van deze duurzame energieopties is hard nodig. Bij
elkaar kunnen ze al zorgen voor een kwart van de 10% doelstelling. Bovendien
kunnen ze op korte termijn en relatief eenvoudig worden ingepast.
Om dit potentieel daadwerkelijk te realiseren zijn nauwelijks nieuwe
beleidsinstrumenten nodig. Bestaande
instrumenten moeten voortvarend worden ingezet en toepasbaar worden
gemaakt voor de gehele gebouwde omgeving. Deze "kans voor open doel"
mag niet onbenut blijven.
De technieken
De energievraag in de gebouwde omgeving, woningen en utiliteitsbouw
(kantoren, scholen, winkels, ziekenhuizen), bedraagt ongeveer een derde
van de totale vraag. Ruimte- en tapwaterverwarming spelen hierin een
belangrijke rol. Dit betreft zogenaamde lage-temperatuur warmte. De
rest van de energie wordt gebruikt voor koken en (als elektriciteit)
voor verlichting, koelen, ventileren en allerlei huishoudelijke apparatuur.
Zowel de in de gebouwde omgeving gebruikte warmte als de elektriciteit
kunnen voor een zeer groot deel duurzaam worden opgewekt. Uitgangspunt
daarbij is dat de energie rationeel wordt gebruikt. Zolang energie wordt
verspild in slecht geïsoleerde gebouwen of in inefficiënte apparaten
is het dweilen met de kraan open.
In de warmtebehoefte van gebouwen kan grotendeels worden voorzien door
passieve en actieve duurzame energie bronnen te gebruiken, die op of
rond gebouwen aanwezig zijn. Nieuwe gebouwen kunnen als integraal zonnesysteem
worden ontworpen, zodanig dat ze in de zomer optimaal koel blijven en
in de winter zoveel mogelijk zonnewarmte voor ruimteverwarming invangen
(“passieve” zonne-energie). “Actieve” benutting van zonnewarmte kan
door inzet van zonthermische systemen (zonnecollectoren die zonnewarmte
benutten) en warmtepompsystemen (die omgevingswarmte zoals bodemwarmte
benutten).
Duurzame elektriciteit kan in de gebouwde omgeving worden opgewekt met
fotovoltaïsche systemen (zonnestroom). Inmiddels komen ook de eerste
kleine windturbines voor de gebouwde omgeving op de markt. Er wordt
gewerkt aan directe benutting van windenergie voor (gedeeltelijk) ventileren
van gebouwen.
Het potentieel
De gebouwde omgeving beslaat ca. 6 % van ons dichtbevolkte land. Daarbinnen
bevinden zich voor duurzame energie goed bruikbare oppervlakken als
gevels en daken (hellend en plat). Deze oppervlakken kunnen worden gebruikt
voor het opvangen van thermische zonne-energie en zonne-stroom. Warmtepompen
kunnen daarnaast de omgevingswarmte benutten. De gebouwde omgeving
kan rond 2050 al in bijna de helft van de eigen energiebehoefte voorzien,
met lokaal opgewekte duurzame energie. De genoemde mogelijkheden moeten
dan, op elkaar afgestemd in integrale concepten, optimaal worden benut.
Hiervoor is het nodig alle kansen te grijpen bij nieuwbouw, als het
gehele ontwerp nog moet worden gemaakt. Bij bestaande bouw moeten kansen
worden benut bij natuurlijke momenten in het beheersproces, bijvoorbeeld
wanneer er wordt gerenoveerd of wanneer installaties worden vervan-gen.
In 2050 kan lokaal (dus direct op of bij het gebouw) opgewekte duurzame
energie goed zijn voor ca. 45% van de totale energievraag in de gebouwde
omgeving
Warmtepompen en zon-thermische systemen:
Dekken 75% van de warmtevraag in de gebouwde omgeving in 2050
van de hiermee geproduceerde 440 PJth warmte is dan duurzaam:
350 PJth
Zonnestroom:
Dekt 25% van de elektriciteitsvraag in de gebouwde omgeving in 2050,
door benutting van 150 km2 dak- en geveloppervlak
bijdrage van duurzaam opgewekte elektriciteit in gebouwen: 100
PJe
Voor wind en bio-energie zijn vooralsnog geen waarden opgenomen. Verschillende
ontwikkelingen rechtvaardigen echter de verwachting dat ook deze opties
in de gebouwde omgeving een rol van betekenis kunnen gaan spelen.
Introductie in de periode 2010/2020
Uit bovenstaand overzicht blijkt dat het zeer de moeite waard is om
ons met deze technieken bezig te houden. Om de mogelijkheden voor de
kortere termijn aan te geven is een indicatief scenario opgesteld voor
de geleidelijke introductie in de gebouwde omgeving. Daarbij gaan we
uit van de volgende ontwikkelingen per deelsector:
- Nieuwbouwwoningen -- zon-thermische systemen en warmtepompen
Uitgangspunt is aanscherping van de energieprestatienormering (EPN)
naar lagere vereiste Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). Deze aanscherping
is goed mogelijk als marktpartijen zich er tijdig op kunnen voorbereiden.
Gevolg is dat naast verdergaande verbetering van de ener-gie-efficiency
ook de genoemde duurzame-energiemaatregelen in toenemende mate worden
toegepast. Door een stapsgewijze verlaging van de vereiste EPC tot een
niveau van 0,3 in 2020 kan alleen al aan thermische duurzame energie
in 2020 ca. 13 PJ benut worden in nieuwbouw-woningen. Bij een goede
uitvoering kan een woning met een lagere EPC zelfs een hogere woonkwaliteit
bezitten.
- Bestaande bouw -- zon-thermische systemen en warmtepompen
Grootschalige marktintroductie begint in de nieuwbouw, maar heeft grote
"spin-off" naar de bestaande bouw. Belangrijk hierbij is aan te sluiten
bij de natuurlijke momenten om zon-thermische systemen of warmtepompen
toe te passen. Ketelvervanging is zo een moment. Ook renovatie van huurwoningen
of eigendomsoverdracht bij koopwoningen zijn dergelijke momenten. In
de huursector kunnen corporaties een belangrijke rol spelen bij een
projectmatige aanpak.
- Utiliteitsbouw -- zon-thermische systemen en warmtepompen
Vooral voor warmtepompen zijn in de utiliteitsbouw grote mogelijkheden.
Het is een voorzichtige schatting dat het potentieel 50% bedraagt van
het totale potentieel in de woningbouw. Hierbij worden industriële applicaties
van duurzame energie dan nog niet meegerekend. Ook hier geldt dat bij
goede uitvoering een energiezuiniger kantoor voor de gebruikers een
verhoogde verblijfskwaliteit kan bieden.
In het indicatieve scenario wordt uitgegaan van een geleidelijke groei
van het percentage zon-thermische systemen en warmtepompen dat wordt
toegepast in onderstaande situaties. In 2020 zijn de percentages in
de tabel bereikt.
--------------------------------------------------------------
tapwater ruimteverwarming
--------------------------------------------------------------
nieuwbouw woningen 85% 85%
bestaande woningen:
huurwoningen bij ketelvervanging 30% 20%
huurwoningen bij renovatie 30% 20%
koopwoningen bij ketelvervanging 30% 15%
koopwoningen bij eigendomsovergang 5% 2%
--------------------------------------------------------------
- Zonnestroom
Jaarlijks worden in Nederland minstens 100.000 nieuwe daken gerealiseerd
en bestaande daken gerenoveerd of verbeterd. Als alleen op die daken
1-2 kilowatt-piek (kWp) per dak aan zonnestroominstallaties zou worden
gelegd zou 100-200 megawatt-piek (MWp) per jaar kunnen worden geplaatst.
Dit is slechts ter illustratie, want er is geen reden om niet ook andere
bestaande daken te benutten en bovendien komen daarbij nog gevels en
commerciële gebouwen. Aannemende dat Nederland goed is voor 1-2%
van
de verwachte wereldmarkt voor zonnestroominstallaties zou in 2020 ca.
1000-3000 MWp zijn geplaatst. Met de genoemde 100-200 MWp/jaar is dit
beslist een voorstelbare hoeveelheid.
Al in 2020 is in de gebouwde omgeving ruim 60 PJ uit duurzame bronnen
te winnen. Dit is nog maar een opstapje voor benutting van een veel
groter potentieel.
--------------------------------------------------------------------------
2010 2020 2050
PJprimair PJprimair PJprimair
--------------------------------------------------------------------------
Warmtepompen en zon-thermische systemen 12 46 350
PV 2 17 140
Invulling thermisch deel:
Nieuwbouw woningen 5 13
Bestaande woningvoorraad 3 18
Utiliteitsbouw 4 15
--------------------------------------------------------------------------
Vierpuntenplan
Bovenstaand introductiescenario is zeker haalbaar. Gerichte aandacht
en steun van de overheid zijn daarvoor onmisbaar. Cruciaal daarbij zijn
consistentie van beleid, alsmede zekerheid over een langere periode.
De nodige acties zijn neergelegd in onderstaand vierpuntenplan.
- Stapsgewijze aanscherping van de energieprestatienorm (EPN) voor
nieuwe woningen en utiliteitsbouw. Voor woningen is EPC 0,8 op korte
termijn zonder meer mogelijk. Via tussenstappen kan in 2020 een niveau
van 0,3 worden bereikt. Tijdige aankondiging van aanscherpingen maakt
het mogelijk dat marktpartijen zich voorbereiden. Zo kan aan de nieuwe
eisen worden voldaan zonder noemenswaardige meerkosten. Aanpassingen
in de rekenmethodiek zijn nodig om de primaire energiebesparing die
samenhangt met duurzame energie opties volledig te waarderen. Ook dienen
richtlijnen te worden ontwikkeld om parallel aan de energetische verbeteringen
te komen tot verbetering van binnenklimaat en woonkwaliteit.
- Handhaving van gerichte ondersteuning van duurzame energie maatregelen
via de energie-premieregeling (EPR). Stimulering via subsidies is nodig
om het potentieel te benutten en de technologische ontwikkeling niet
vast te laten lopen. Op termijn kunnen subsidies vervallen als de voorspelde
kostenverlaging is gerealiseerd. Het onderbrengen van kleine windturbines
in de regeling is een zinvolle uitbreiding. De EPR (of een gelijkwaardige
eenvoudige regeling) zal toegankelijk moeten worden gemaakt voor alle
groepen die een substantiële rol bij de implemntatie kunnen spelen,
bijvoorbeeld ook voor investeerders.
- Uitbouw van het energieprestatie-advies (EPA) tot een instrument
dat minder vrijblijvend is. Invoering van een verplichte regelmatige
keuring (EPK), bijvoorbeeld bij verkoop. Introductie van een Energie
Prestatie Indexering voor bestaande woningen en gebouwen. Zorgen voor
stimulansen om in zo'n keuring steeds beter te scoren, bijvoorbeeld
fiscale stimulansen in de onroerend-zaak belasting of overdrachtsbelasting.
- Steun voor R&D op dit gebied. Er is voldoende kennis om een begin
te maken met de eerste verantwoorde benutting van het potentieel. Verdere
R&D is echter nodig om de knelpunten voor volledige benutting op te
ruimen. Denk b.v. aan verlaging van investerings- en onderhoudskosten,
goede inpassing in het bouw- of renovatieproces, acceptatie door gebruikers,
benutten van synergieën met andere kwaliteitsverbeteringen, zoals verbetering
van comfort en binnenluchtkwaliteit. Monitoren van gerealiseerde proefprojecten
en demonstratiegebouwen --– zowel technisch als niet-technisch -- is
van belang om het leer- en introductieproces te versnellen.
Bovenstaande tekst is ook in
PDF-formaat
beschikbaar.
|