[To ECN Homepage]  Gebouwen kunnen duurzame energie beter benutten

  [Homepage ECN-Nieuwsbrief] --> [Artikel ECN-Nieuwsbrief]  

Titel : Gebouwen kunnen duurzame energie beter benutten
Publicatie datum: : 5 maart 2002
Trefwoorden: : DE, GO, bouw, EPN, Rotterdam, PDE, TNO, PV, warmtepomp
Zie ook: : http://www.ecn.nl/dego/why.nl.html

ECN heeft samen met de Duurzame Energie Federatie, het Projectbureau Duurzame Energie en TNO-Bouw de 'verklaring van Rotterdam' ondertekend. Hierin geven ze vier beleidspunten om het potentieel van duurzame energie beter te benutten in de gebouwde omgeving.

Verklaring van Rotterdam
DE-versnelling in de gebouwde omgeving: het stille potentieel

Oproep
De organisaties

  • Duurzame Energie Federatie (DE federatie),
  • Projectbureau Duurzame Energie (PDE),
  • Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN), en
  • TNO-Bouw
zijn van oordeel dat het potentieel van duurzame energie in de gebouwde omgeving onvoldoende wordt onderkend en benut. Daardoor wordt meer fossiele energie verbrand en worden meer broeikasgassen geproduceerd dan noodzakelijk zou zijn.

De organisaties doen hierbij een oproep aan alle betrokken partijen om dit potentieel te realiseren. Dit vraagt een consistent beleid, het wegnemen van belemmeringen, het (door)ontwikkelen van geschikte (beleids)instrumenten en het beschikbaar maken van de benodigde technologie.

De ondertekenaars roepen concreet op tot:

  1. Stapsgewijze aanscherping van de energieprestatienorm (EPN) voor nieuwe woningen en utiliteitsbouw. Voor woningen is een EPC van 0,8 nu reeds realistisch en direct toepasbaar. Via enkele tussenstappen is in 2020 een verlaging tot 0,3 mogelijk. Bij een goede aanpak kan een verlaagde EPC bijdragen aan een verhoogde woonkwaliteit.

  2. Handhaving, verdere toespitsing en optimalisering van gerichte ondersteuning van duurzame energie maatregelen via de energiepremieregeling (EPR).

  3. Uitbouw van het energieprestatie-advies (EPA) tot een instrument dat minder vrijblijvend is. Introductie van een Energie Prestatie Indexering op basis waarvan fiscale stimulerings- en andere maatregelen kunnen worden getroffen.

  4. Prioritering en uitbreiding van onderzoek en ontwikkeling gericht op prijsreductie en verdere ontwikkeling van duurzame energie concepten in de woningbouw. Dit is nodig om grootschalige marktintroductie van duurzame energie concepten in de gebouwde omgeving mogelijk te maken.

 
Inleiding
De Nederlandse overheid heeft als beleidsdoelstelling geformuleerd: 10% aandeel duurzame energie in onze totale energievoorziening in 2020. Deze doelstelling werd bij de vaststelling ervan in 1995 "ambitieus, doch haalbaar" genoemd. Helaas wordt het gewenste niveau nog lang niet gehaald. In 2000 bedroeg het aandeel duurzame energie pas 1,2%.
Het is te vroeg voor wanhoop. Belangrijke mogelijkheden voor gebruik van duurzame energie worden nog lang niet volledig benut. Daarin moet snel verandering komen. Gelukkig is dit mogelijk.
In de gebouwde omgeving liggen grote kansen voor toepassing van thermische zonne-energie, warmtepompen en zonnestroom. Dat is geen nieuws, maar een "herontdekking" van deze duurzame energieopties is hard nodig. Bij elkaar kunnen ze al zorgen voor een kwart van de 10% doelstelling. Bovendien kunnen ze op korte termijn en relatief eenvoudig worden ingepast.
Om dit potentieel daadwerkelijk te realiseren zijn nauwelijks nieuwe beleidsinstrumenten nodig. Bestaande instrumenten moeten voortvarend worden ingezet en toepasbaar worden gemaakt voor de gehele gebouwde omgeving. Deze "kans voor open doel" mag niet onbenut blijven.

De technieken
De energievraag in de gebouwde omgeving, woningen en utiliteitsbouw (kantoren, scholen, winkels, ziekenhuizen), bedraagt ongeveer een derde van de totale vraag. Ruimte- en tapwaterverwarming spelen hierin een belangrijke rol. Dit betreft zogenaamde lage-temperatuur warmte. De rest van de energie wordt gebruikt voor koken en (als elektriciteit) voor verlichting, koelen, ventileren en allerlei huishoudelijke apparatuur.

Zowel de in de gebouwde omgeving gebruikte warmte als de elektriciteit kunnen voor een zeer groot deel duurzaam worden opgewekt. Uitgangspunt daarbij is dat de energie rationeel wordt gebruikt. Zolang energie wordt verspild in slecht geïsoleerde gebouwen of in inefficiënte apparaten is het dweilen met de kraan open.

In de warmtebehoefte van gebouwen kan grotendeels worden voorzien door passieve en actieve duurzame energie bronnen te gebruiken, die op of rond gebouwen aanwezig zijn. Nieuwe gebouwen kunnen als integraal zonnesysteem worden ontworpen, zodanig dat ze in de zomer optimaal koel blijven en in de winter zoveel mogelijk zonnewarmte voor ruimteverwarming invangen (“passieve” zonne-energie). “Actieve” benutting van zonnewarmte kan door inzet van zonthermische systemen (zonnecollectoren die zonnewarmte benutten) en warmtepompsystemen (die omgevingswarmte zoals bodemwarmte benutten).

Duurzame elektriciteit kan in de gebouwde omgeving worden opgewekt met fotovoltaïsche systemen (zonnestroom). Inmiddels komen ook de eerste kleine windturbines voor de gebouwde omgeving op de markt. Er wordt gewerkt aan directe benutting van windenergie voor (gedeeltelijk) ventileren van gebouwen.

Het potentieel
De gebouwde omgeving beslaat ca. 6 % van ons dichtbevolkte land. Daarbinnen bevinden zich voor duurzame energie goed bruikbare oppervlakken als gevels en daken (hellend en plat). Deze oppervlakken kunnen worden gebruikt voor het opvangen van thermische zonne-energie en zonne-stroom. Warmtepompen kunnen daarnaast de omgevingswarmte benutten. De gebouwde omgeving kan rond 2050 al in bijna de helft van de eigen energiebehoefte voorzien, met lokaal opgewekte duurzame energie. De genoemde mogelijkheden moeten dan, op elkaar afgestemd in integrale concepten, optimaal worden benut.

Hiervoor is het nodig alle kansen te grijpen bij nieuwbouw, als het gehele ontwerp nog moet worden gemaakt. Bij bestaande bouw moeten kansen worden benut bij natuurlijke momenten in het beheersproces, bijvoorbeeld wanneer er wordt gerenoveerd of wanneer installaties worden vervan-gen.

In 2050 kan lokaal (dus direct op of bij het gebouw) opgewekte duurzame energie goed zijn voor ca. 45% van de totale energievraag in de gebouwde omgeving

Warmtepompen en zon-thermische systemen:
Dekken 75% van de warmtevraag in de gebouwde omgeving in 2050
van de hiermee geproduceerde 440 PJth warmte is dan duurzaam: 350 PJth
Zonnestroom:
Dekt 25% van de elektriciteitsvraag in de gebouwde omgeving in 2050, door benutting van 150 km2 dak- en geveloppervlak
bijdrage van duurzaam opgewekte elektriciteit in gebouwen: 100 PJe

Voor wind en bio-energie zijn vooralsnog geen waarden opgenomen. Verschillende ontwikkelingen rechtvaardigen echter de verwachting dat ook deze opties in de gebouwde omgeving een rol van betekenis kunnen gaan spelen.

Introductie in de periode 2010/2020
Uit bovenstaand overzicht blijkt dat het zeer de moeite waard is om ons met deze technieken bezig te houden. Om de mogelijkheden voor de kortere termijn aan te geven is een indicatief scenario opgesteld voor de geleidelijke introductie in de gebouwde omgeving. Daarbij gaan we uit van de volgende ontwikkelingen per deelsector:

  • Nieuwbouwwoningen -- zon-thermische systemen en warmtepompen
    Uitgangspunt is aanscherping van de energieprestatienormering (EPN) naar lagere vereiste Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). Deze aanscherping is goed mogelijk als marktpartijen zich er tijdig op kunnen voorbereiden. Gevolg is dat naast verdergaande verbetering van de ener-gie-efficiency ook de genoemde duurzame-energiemaatregelen in toenemende mate worden toegepast. Door een stapsgewijze verlaging van de vereiste EPC tot een niveau van 0,3 in 2020 kan alleen al aan thermische duurzame energie in 2020 ca. 13 PJ benut worden in nieuwbouw-woningen. Bij een goede uitvoering kan een woning met een lagere EPC zelfs een hogere woonkwaliteit bezitten.

  • Bestaande bouw -- zon-thermische systemen en warmtepompen
    Grootschalige marktintroductie begint in de nieuwbouw, maar heeft grote "spin-off" naar de bestaande bouw. Belangrijk hierbij is aan te sluiten bij de natuurlijke momenten om zon-thermische systemen of warmtepompen toe te passen. Ketelvervanging is zo een moment. Ook renovatie van huurwoningen of eigendomsoverdracht bij koopwoningen zijn dergelijke momenten. In de huursector kunnen corporaties een belangrijke rol spelen bij een projectmatige aanpak.

  • Utiliteitsbouw -- zon-thermische systemen en warmtepompen
    Vooral voor warmtepompen zijn in de utiliteitsbouw grote mogelijkheden. Het is een voorzichtige schatting dat het potentieel 50% bedraagt van het totale potentieel in de woningbouw. Hierbij worden industriële applicaties van duurzame energie dan nog niet meegerekend. Ook hier geldt dat bij goede uitvoering een energiezuiniger kantoor voor de gebruikers een verhoogde verblijfskwaliteit kan bieden.

    In het indicatieve scenario wordt uitgegaan van een geleidelijke groei van het percentage zon-thermische systemen en warmtepompen dat wordt toegepast in onderstaande situaties. In 2020 zijn de percentages in de tabel bereikt.

    --------------------------------------------------------------
    tapwater ruimteverwarming
    --------------------------------------------------------------
    nieuwbouw woningen 85% 85%
    bestaande woningen:		
    huurwoningen bij ketelvervanging 30% 20%
    huurwoningen bij renovatie 30% 20%
    koopwoningen bij ketelvervanging 30% 15%
    koopwoningen bij eigendomsovergang 5% 2%
    --------------------------------------------------------------
    

  • Zonnestroom
    Jaarlijks worden in Nederland minstens 100.000 nieuwe daken gerealiseerd en bestaande daken gerenoveerd of verbeterd. Als alleen op die daken 1-2 kilowatt-piek (kWp) per dak aan zonnestroominstallaties zou worden gelegd zou 100-200 megawatt-piek (MWp) per jaar kunnen worden geplaatst. Dit is slechts ter illustratie, want er is geen reden om niet ook andere bestaande daken te benutten en bovendien komen daarbij nog gevels en commerciële gebouwen. Aannemende dat Nederland goed is voor 1-2% van de verwachte wereldmarkt voor zonnestroominstallaties zou in 2020 ca. 1000-3000 MWp zijn geplaatst. Met de genoemde 100-200 MWp/jaar is dit beslist een voorstelbare hoeveelheid.

Al in 2020 is in de gebouwde omgeving ruim 60 PJ uit duurzame bronnen te winnen. Dit is nog maar een opstapje voor benutting van een veel groter potentieel.

--------------------------------------------------------------------------
2010 2020 2050
PJprimair PJprimair PJprimair
--------------------------------------------------------------------------
Warmtepompen en zon-thermische systemen 12 46 350
PV 2 17 140
Invulling thermisch deel:			
Nieuwbouw woningen 5 13	
Bestaande woningvoorraad 3 18	
Utiliteitsbouw 4 15
--------------------------------------------------------------------------

Vierpuntenplan
Bovenstaand introductiescenario is zeker haalbaar. Gerichte aandacht en steun van de overheid zijn daarvoor onmisbaar. Cruciaal daarbij zijn consistentie van beleid, alsmede zekerheid over een langere periode. De nodige acties zijn neergelegd in onderstaand vierpuntenplan.

  1. Stapsgewijze aanscherping van de energieprestatienorm (EPN) voor nieuwe woningen en utiliteitsbouw. Voor woningen is EPC 0,8 op korte termijn zonder meer mogelijk. Via tussenstappen kan in 2020 een niveau van 0,3 worden bereikt. Tijdige aankondiging van aanscherpingen maakt het mogelijk dat marktpartijen zich voorbereiden. Zo kan aan de nieuwe eisen worden voldaan zonder noemenswaardige meerkosten. Aanpassingen in de rekenmethodiek zijn nodig om de primaire energiebesparing die samenhangt met duurzame energie opties volledig te waarderen. Ook dienen richtlijnen te worden ontwikkeld om parallel aan de energetische verbeteringen te komen tot verbetering van binnenklimaat en woonkwaliteit.

  2. Handhaving van gerichte ondersteuning van duurzame energie maatregelen via de energie-premieregeling (EPR). Stimulering via subsidies is nodig om het potentieel te benutten en de technologische ontwikkeling niet vast te laten lopen. Op termijn kunnen subsidies vervallen als de voorspelde kostenverlaging is gerealiseerd. Het onderbrengen van kleine windturbines in de regeling is een zinvolle uitbreiding. De EPR (of een gelijkwaardige eenvoudige regeling) zal toegankelijk moeten worden gemaakt voor alle groepen die een substantiële rol bij de implemntatie kunnen spelen, bijvoorbeeld ook voor investeerders.

  3. Uitbouw van het energieprestatie-advies (EPA) tot een instrument dat minder vrijblijvend is. Invoering van een verplichte regelmatige keuring (EPK), bijvoorbeeld bij verkoop. Introductie van een Energie Prestatie Indexering voor bestaande woningen en gebouwen. Zorgen voor stimulansen om in zo'n keuring steeds beter te scoren, bijvoorbeeld fiscale stimulansen in de onroerend-zaak belasting of overdrachtsbelasting.

  4. Steun voor R&D op dit gebied. Er is voldoende kennis om een begin te maken met de eerste verantwoorde benutting van het potentieel. Verdere R&D is echter nodig om de knelpunten voor volledige benutting op te ruimen. Denk b.v. aan verlaging van investerings- en onderhoudskosten, goede inpassing in het bouw- of renovatieproces, acceptatie door gebruikers, benutten van synergieën met andere kwaliteitsverbeteringen, zoals verbetering van comfort en binnenluchtkwaliteit. Monitoren van gerealiseerde proefprojecten en demonstratiegebouwen --– zowel technisch als niet-technisch -- is van belang om het leer- en introductieproces te versnellen.

Bovenstaande tekst is ook in PDF-formaat beschikbaar.


Update: 5 maart 2002